De politieke economie van honger

De politieke economie van honger

Waarom is er honger? Het heeft niets met een gebrek aan voedsel te maken.

Tot dusverre hebben we in onze serie over het verband tussen klimaat, klassenmaatschappij en voedsel de nadruk gelegd op historisch onderzoek.Daarbij hebben we gekeken naar de opkomst van landbouw aan het einde van de laatste ijstijd en de vroegmoderne oorsprong van kapitalistische landbouw tijdens de kleine ijstijd van 1550-1850.

We willen dit historisch onderzoek uitbreiden met de huidige tijd zodat we iets kunnen zeggen over de toekomstige voedselproductie in de context van de opwarming der aarde en de klimaatchaos. Maar eerst een eenvoudige vraag, waarom hebben mensen honger?

Gezond verstand: absolute schaarste?

Het intuïtieve antwoord op de vraag zou zijn dat er een gebrek aan voedsel moet zijn. Daar worden twee verklaringen voor gegeven. Chronische honger wordt door de theorie van Malthus verklaard door de stelling dat bevolkingsgroei de voedselproductie overtreft. Hongersnood wordt verklaard in termen van misoogsten, bijvoorbeeld door droogteperiodes.

De argumentatie van Malthus, waarop de reactionaire ecologie van Garrett Hardin steunt, is vrij eenvoudig.Malthus (1776-1834) claimde dat de bevolkingsgroei exponentieel was terwijl voedselproductie lineair toenam. Daarom zou de bevolking altijd sterker groeien dan de voedselproductie en zou chronische honger altijd aanwezig zijn. Malthus had politieke motieven, hij was sterk gekant tegen de Engelse armenwetten. Hij verzon. Geograaf Danny Dorling schreef:

‘Hij zat niet alleen fout omdat hij verbeeldingskracht miste; hij fraudeerde. Het is nu bekend dat hij de correlatie verzon die hij gebruikte om het verband aan te tonen.’1

Maar de argumentatie van Malthus wordt nog steeds met een zekere vanzelfsprekendheid gehanteerd in alledaagse gesprekken en wetenschappelijke werken, daarbij hebben de experts geen excuus.2 ‘Als Malthus het niet was geweest’ zo vervolgde Dorling, ‘zou het wel een andere dwaas zijn geweest.’Een vergelijkbare veronderstelling van absolute schaarste inspireert de afnemende voedselhoeveelheid benadering, die aan de kaak werd gesteld door de econoom Armartya Sen in zijn zeer invloedrijk essay van 1981 over armoede en hongersnoden.

Sen bestudeerde een aantal hongersnoden en vond dat de afnemende voedselhoeveelheid benadering niet in staat was te verklaren waarom mensen voedselgebrek kregen en welke mensen voedselgebrek kregen. De grote Bengaalse hongersnood van 1943 kostte 1,5 miljoen levens. Toch was devoedselproductie slechts marginaal lager dan het jaar ervoor en zelfs hoger dan in jaren die geen hongersnood kenden.Ethiopische hongersnoden van 1972-1974 zagen ook slechts een voedselproductiedaling beneden de 10%, te klein om verantwoordelijk te zijn voor de 50.000 tot 200.000 doden. Tijdens de hongersnood van 1974 in Bangladesh was de beschikbare hoeveelheid voedsel per hoofd van de bevolking het hoogste gerekend over een periode van vier jaar. Gedurende de hongersnood in de Sahel, die op zijn hoogtepunt kwam in 1973, leidde droogte tot significante afname van de beschikbare hoeveelheid voedsel, maar Sen argumenteerde dat de afname alleen niet kon verklaren wie voedsel tekort kwam en waar dat tekort optrad.

De benadering van Armartya Sen

Amartya Sen ontwikkelde een nieuwe theorie die hongersnoden verklaart in termen van ‘aanspraken’.In een monetaire economie heeft de geldbezitter aanspraken op goederen tot hetzelfde bedrag. Stijging van de voedselprijzen, inkomensdaling of het opraken van spaargelden kunnen allemaal leiden naar een ‘falen van aanspraken ’ en honger, dat wil zeggen dat er te weinig geld is om voldoende voedsel te kopen. Maar de reden dat Sen de term aanspraak hanteert in plaats van geld, stoelt op het feit dat niet alle voedselaanspraken monetair zijn. Deelpachters of boeren kunnen recht hebben op hun eigen productie of een deel daarvan zonder bemiddeling van de markt. Nomaden kunnen ook voedselaanspraken hebben buiten het monetaire systeem, evenals ontvangers van voedselbonnen en gelijksoortige voorzieningen.

Soms wordt gezegd dat verhongering niet wordt veroorzaakt door voedseltekort maar door een gebrek aan inkomsten en koopkracht. Die benadering geeft op een versimpelde manier de kern van de ‘aanspraken benadering’ weer, omdat inkomen iemand recht geeft op voedsel in een markt economie. Ofschoonmen met inkomen niet altijd voedsel kan krijgen in een volledig geplande economie of een economie met tekorten zal de benadering die zich baseert op inkomen relevant zijn in de meeste omstandigheden waarin hongersnoden voorkwamen.3

Sen ontkent niet dat de daling van beschikbaar voedsel een factor kan zijn bij de toename van verhongering. Hij stelt alleen dat die mogelijk wordt gemaakt door aanspraken, dat wil zeggen sociale betrekkingen. Sen claimt dat ‘de export van voedsel uit gebieden die door hongersnood zijn getroffen een vrij “natuurlijke” eigenschap is van markten die aanspraken eerder respecteren dan behoefte.’4 Geograaf Mike Davis concludeert op basis van zijn studie van hongersnoden in het Victoriaans tijdperk dat ‘de grote hongersnoden altijd herverdeling betekende in het kader van klassenstrijd.’5

De benadering via het model van absolute schaarste is gebaseerd op een drogreden: omdat absolute schaarste van voedsel honger betekent, wordt die absolute schaarste ten onrechte afgeleid uit het bestaan van honger. Die redenering duidt op een naïeve veronderstelling: dat voedsel voor ons wordt geproduceerd. Echter het aandeelvan de landbouwproductie dat voor de markt wordt geproduceerd wordt steeds groter. Die productie vindt niet plaats vanwege het gebruik maar wegens de prijs die men ervoor krijgt. Als biodiesel of rundvlees voldoende opbrengen wordt landbouwgrond ingezet voor auto’s en koeien terwijl miljoenen mensen honger gaan lijden. Of zoals de openingszin van Sen’s essay luidt:

Verhongering betekent dat sommige mensen niet genoeg voedsel te eten hebben: Het betekent niet dat er niet genoeg voedsel is.6

De politieke economie van honger

Het feit dat er genoeg voedsel is om iedereen te voeden wordt langzamerhand ook erkend door de leidende instituten. Bijvoorbeeld de FAO,de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN, die duidelijk stelt:

Er is genoeg capaciteit op de wereld om voldoende voedsel te produceren om iedereen adequaat te voeden; maar ondanks de vooruitgang van de laatste twintig jaar, lijden nog steeds 805 miljoen mensen chronisch honger.7

Maar Sen’s nadruk op de productiewijze, eigendomsvormen en klasse betrekkingen is door een technocratische benadering verdrongen, de ‘uitdaging’ wordt tot een simpele beleidskeuze herleid.‘Beschikbaarheid van voedsel’ is nog steeds de term die de FAO hanteert. En terwijl tussen éénderde en de helft van de wereldvoedselproductie wordt verkwist, wijst de Wereldbank net als Malthus op een groeiende wereldbevolking teneinde de noodzaak van een verhoging van de agrarische productiviteit te kunnen benadrukken. Er is in principe niets mis met een hogere agrarische productiviteit, meer output met minder input lijkt een goed idee, maar het kan ook een eufemisme zijn voor Land Grabs.8

Die nieuwe onteigeningen proletariseren de plattelandsbevolking en maken ze afhankelijk van de voedselmarkt. Ofwel anders gesteld, terwijl Sen’s inzichten formeel worden erkend keert het beleid snel terug naar vertrouwde kapitalistische methodieken om de output te verhogen, de productiviteit te laten stijgen en de landbouwmarkten te ontwikkelen voor financiele diensten, kunstmest en machines. Honger wordt behandeld alsof het slechts een probleem van voedselbeschikbaarheid zou zijn, ofschoon erkend wordt dat zulks niet het geval is. Om dit alles te begrijpen, wenden we ons tot de economisch historicus Karl Polanyi.

Polanyi was geïnteresseerd in ‘de grote transformatie’: de opkomst van de marktsamenleving, het kapitalisme. Net als Karl Marx voor hem identificeerde Polanyi de scheiding van de bevolking van het land als de sleutelfactor voor de transformatie van markten van een relatief randverschijnsel voor de meeste mensen naar de centrale instituten die de sociale reproductie regelen.

Het eerste stadium was de commercialisering v an de grond,waardoor de feodale landopbrengsten konden worden gemobiliseerd. Het tweede bestond uit het afdwingen van eenproductie op nationale schaal van voedsel en organische grondstoffen die voorzagen in de behoeftes van een snel groeiende industriële bevolking. Het derde was de uitbreiding van zo’n systeem van surplusproductie naar overzeese en koloniale gebieden. Met die laatste stap pasten het land en zijn producten uiteindelijk in het schema van de zelfregulerende wereldmarkt.9

Polanyi zit er wat de chronologie betreft wat naast, de koloniale productie was er eerder dan de industriële revolutie en financierde die ook ten dele.10 De stoommachine van James Watt werd gefinancierd uit de winsten van de West Indische slavenplantages. Maar wat in deze kwestie belangrijker is, Polanyi legt verder de nadruk op de noodzaak van honger voor een goed functionerende arbeidsmarkt:

De kritische fase werd bereikt met het instellen van een arbeidsmarkt in Engeland, daarbij werden arbeiders met verhongering bedreigd als ze zich niet onderwierpen aan de regels van loonarbeid. Toen die drastische stap was gezet, ging het mechanisme van de zelfregulerende markt functioneren.11

Honger was daarom geen toevallig probleem in het kapitalisme, maar een bestaansvoorwaarde. Dit proces van proletarisering creëerde de categorie van de werkeloze, die de pauper opvolgde. Polanyi betoogde verder dat ‘het loonsysteem zou instorten als de werkeloze niet onder druk stond van verhongering of plaatsing in hetverafschuwde armenhuis.’12 Polanyi dacht dat de welvaartstaat na de Tweede Wereldoorlog en de Keynesiaanse politiek van volledige werkgelegenheid de dreiging van honger tot een minimum hadden beperkt en daardoor de marktsamenleving hadden vervangen. Maar sociaaldemocratie bleek slechts een onstabiel compromis met het kapitalisme.Arbeiders kwamen in opstand na de crisis van de jaren zeventig en kapitalisten antwoordden met een hernieuwde ronde van economisch liberalisme.

De terugkeer van rachitis, voedselbanken en het armenhuis (onder het mom van tewerkstellingsprojecten) kunnen daarom worden gezien als een terugkeer naar normale kapitalistische verhoudingen.13 Kapitalisme heeft dat kunstmatige voedseltekort nodig voor de arbeidsmarkt. Klimaatverandering zal waarschijnlijk oogsten aantasten en de aanwezige landbouwgronden reduceren door woestijnvorming, verzilting van grondwater in kustgebieden en overstromingen, door zeespiegelstijgingen en wijzigingen van neerslagpatronen.14 Maar de beschikbaarheid van voedsel wordt altijd bepaald door sociale betrekkingen. Rolando Garcia stelde: ‘klimaat staat niet apart en ontleent haar belang alleen aan de verbanden met milieuveranderingen door verschillende productiesystemen.’15

Discussies over honger op de wereld nemen bijna altijd aan dat de voedselproductie markt gerelateerd is en tegelijkertijd dat voedsel wordt geproduceerd voor consumptie. Wat klimaatverandering dan ook voor gevolgen kan hebben, er is altijd een kloof tussen wat mogelijk is en wat mogelijk is onder het kapitalisme. Als er niets verandert zullen dalende oogstopbrengsten en het verlies vanbebouwbaar land naar verwachting honger op de wereld laten toenemen. Maar veranderingen zijn mogelijk. Sociale betrekkingen die de biofysische krachten organiseren zijn zelf geen natuurwetten: ze kunnen veranderen. Dat is de revolutionaire mogelijkheid die door de Malthusiaanse mythologie wordt verhuld.

Oorspronkelijk verschenen bij Libcom.org, vertaling Tijn van Beurden/globalinfo.nl.

  • 1. Danny Dorling, Population 10 Billion, p.111.
  • 2. Zo beweert David Cleveland, dat ‘Malthus gelijk had’, gerekend over een lange periode. Dit citaat komt uit ‘Balancing on a planet: the future of food and agriculture’ (p.26).
  • 3. Amartya Sen, Poverty and Famines, p.155.
  • 4. Amartya Sen, Poverty and Famines, p.162.
  • 5. Mike Davis, Late Victorian Holocausts, p.20.
  • 6. Amartya Sen, Poverty and Famines, p.1.
  • 7. Link
  • 8. See Stefano Liberti, Land grabbing: journeys in the new colonialism.
  • 9. Karl Polanyi, The Great Transformation, p.188.
  • 10. Eric Williams, Capitalism and Slavery, p.102.
  • 11. Karl Polanyi, The Great Transformation, p.225.
  • 12. Karl Polanyi, The Great Transformation, p.232.
  • 13. Voor rachitis zie: bij The Guardian.
  • 14. We zullen de toekomst van voedsel bij verschillende klimaatscenario’s in komende artikelen bespreken.
  • 15. Geciteerd in Mike Davis, Late Victorian Holocausts, p.19.

Posted By

Out of the Woods
Dec 30 2014 12:42

Tags

Share

Attached files