La Haine - Jean Casseur

La Haine - Jean Casseur

“London’s burning! London’s burning!” zong The Clash in 1979. Maar hoewel zij het hadden over files en verveling stond Londen daadwerkelijk in brand in Augustus 2011. En Athene ook in December 2008 en Februari 2012 (en ontelbare keren daartussen). En Frankrijk in 2005 of Brussel in 2006. Of Stockholm in 2013. Om het nog maar niet te hebben over de ontelbare sociale explosies die de Arabische wereld opschudden in 2011 en die Turkije en Brazilie onlangs nog deden beven.

Om dat oude cliche maar weer eens te gebruiken, lijkt het erop dat er een spook door Europa waart: het spook van de gemaskerde relschopper. Op het moment dat de vlammen doven in de ene stad, dopen ze alweer een andere in een vurige mengeling van angst en beloftes. De verantwoordelijke mannen en vrouwen van het 8-uur journaal hebben de mond vol over rondtrekkende bendes van capuchonjeugd, van geweerschoten afgevuurd op politiebureau’s in Franse buitenwijken, van Molotovs geworpen naar de oproerpolitie, van electronicawarenhuizen die geplunderd en in brand gestoken zijn. Beelden van de verkoolde geraamtes van winkelpanden worden vermengd met soundbites van gemaskerde jongeren die de burgerlijke maatschappij in het gezicht spugen. Oproepen voor een staat van beleg, een permanente uitzonderingstoestand, een kolonelsregime en standrechtelijke executies van rechts worden afgewisseld door impotent gejank over de noodzaak van ‘echte banen’, ‘raciale kwesties’ en bezuinigingen van links. Maar de storm van woorden is gericht aan dovemansoren: het lijkt erop dat niemand de wereld meer begrijpt.

Uiteraard zijn rellen niets nieuws. Rellen van alle soorten en maten en om allerlei (van revolutionaire tot reactionaire) redenen zijn al aan de orde van de dag sinds de eerste stad gesticht werd. Wat echter een relatief fenomeen is, is de zogenaamde ‘grootstedelijke rel’ en haar toenemende frequentie. Het type rel dat, vaak getriggerd door een (ogenschijnlijk) kleinschalige gebeurtenis, escaleert in iets dat in de buurt komt van een complete opstand. Of het nu de Brixton en Broadwater Farm rellen van ’85 of de Los Angelos rellen van ’92 zijn: beelden van brandende containers en honderden jongeren die een stadsguerilla uitvechten met de politie in de harten van de grootste metropolen van de wereld vinden hun weg naar onze TV schermen en hebben het al menig opiniemaker in krijtstreep dun door de broek laten lopen. Des te meer vandaag de dag, waar de vlammen van de Franse banlieus, de Griekse steden of de ‘inner city’ van London de “zet het leger in!”-rethoriek uit de monden van zelfs de meest saaie sociaaldemocraten op hebben gevoerd naar niveau’s die zelfs V for Vendetta’s Adam Sutler ‘een beetje authoritair’ zou vinden.

Het perspectief wat deze tekst probeert te bieden is niet nieuw, noch wereldschokkend voor diegenen die bekend zijn met zulke analyses. De cyclus van rellen in het afgelopen decennium, haar ontvangst door het volledige politieke spectrum (ongeacht land), de ontwikkelingen die haar hebben gebaard en de toekomstbeelden die we hieruit door de mist kunnen opmaken zijn al bediscussieerd in flink wat andere teksten. Waarom dan toch nog een tekst of het tijdperk van de rellen? Deels omdat ik het gevoel heb dat hoewel er heel veel grondig werk is gedaan om deze zaken uit te pluizen (vooral binnen de zogenaamde communiserings-stroming [1]), deze teksten vaak in heel specefieke theoretische termen geschreven zijn, zichzelf vaak op een heel specefieke lezersgroep richten en vaak of erg algemeen blijven of bijzonder diep in detail treden. Ik hoop dat deze tekst in staat is om wat van deze analyses te condenseren en ze tegelijkertijd wat lichter verteerbaar te maken, om ze zodoende af te zetten tegen de meer dominante geluiden in zowel radicale kringen als de media.

Op naar de verschillende onzin ‘verklaringen’ van dit fenomeen die geen onderdeel van mijn analyse zijn, maar die ik wel eerst even uit de weg wil hebben.

Barbaren aan de poort

Het luidste geroep in dit soort gevallen komt meestal uit de meest saaie monden. Gebeurtenissen die voor hen onontcijferbaar zijn, die ‘apolitiek’ zijn wanneer ze niet door de gebruikelijke ideologische lens gefilterd kunnen worden halen schijnbaar de Archie Bunker in iedereen naar boven. De klassieke conservatieve, reactionare respons is er meestal een die doorzevert over een ‘pappen en nathouden-cultuur’, een ‘erosie van autoriteit en discipline’, de ‘dood van de westerse cultuur’ en, uiteraard, ‘immigranten’ en hun immigrerende maniertjes. De ongekroonde koning van dit sentiment is de voormalige gevangenispsychiater, en all-around zuurpruim, Theodore Dalrymple (aka Anthony Daniels) die over het algemeen een hekel lijkt te hebben aan alles wat niet naar mottenballen ruikt. Fragmenten van zo’n manier van ‘denken’ zijn enorm populair bij de Britse tabloids, zelfingenomen opiniemakers en neurotische populistische bloggers. Weinig verbazingwekkend is het dat dit sentiment inmiddels ook al uit de monden van menig sociaaldemocraat komt, in een wanhopige poging om kiezers te lokken om de onvermijdelijke ineenstorting van hun fossiele instituten te voorkomen. Ik heb weinig interesse in het fileren en weerleggen van dit ‘perspectief’ aangezien dat niet het doel van deze tekst is en ze wat mij betreft door blijven kletsen in hun TV studios totdat die in het midden van de volgende rel afgefikt worden. Het is wel belangrijk om te zien hoe zo’n sentiment symptomatisch van een bepaalde tijdsgeest is. En ze is allerminst een nieuw fenomeen; een vluchtige blik op de geschiedenis van steden laat een nauw verband zien tussen de reactionaire rethoriek van (mentale) hygiene, racisme, criminaliteit en opstanden, zoals de opstandige Franse studenten en arbeiders van mei ’68 die ervan werden beschuldigd hun oedipuscomplex af te reageren op de ‘vaderfiguur’ van de staat en de Italiaanse autonomisten uit de jaren ’70 die consequent ‘untorelli’ (pestdragers) werden genoemd door de Stalinistische PCI.

De loyale oppositie van zo’n relaas is dat van de sociaaldemocraten en vrijwel geheel links (zogenaamd revolutionair of niet): de rellen worden veroorzaakt door structurele werkeloosheid, een gevoel van uitgeslotenheid en discriminatie, een gebrek aan opleidingen en ‘sociale verantwoordelijkheid’ en een cultuur van ‘MTV-bling bling materialisme’. Deze halfbakken analyse wordt dan gebruikt als fundament voor vermoeide pogingen om een nieuw Keynesianisme leven in te blazen: ‘meer banen’, ‘betere opleidingen’ en andere pogingen van zwarte magie om het lijk van de verzorgingsstaat weer tot leven te wekken, aangevuld met een vleugje identiteitspolitiek en ‘raciaal bewustzijn’. Maar geen enkele hoeveelheid jongerenhonken, melkert-banen, zwembaden, voetbalveldjes of ‘straatcoaching’ is in staat om deze ‘verwilderde onderklasse’ te temmen, om redenen waar ik later op terug zal komen. De vlammen die Stockholm en Göteborg in mei 2013[2] zwartblakerden, in het hart van Scandinavie, het zogenaamde laatste bastion van de welvarende sociaaldemocratische heilstaat, zouden zulke luchtkastelen in rook op moeten laten gaan.

En dan is er nog een miniscuul, zelfbenoemd revolutionair, segment van links dat zich niet (openlijk) beroept op Keynesiaanse interventie maar die vooral geschokt en geirriteerd zijn door het overduidelijke gebrek aan heldere eisen, de onleesbaarheid van de rellen als ‘protest’. Populaire linkse intellectuelen van Slavoj Žižek tot David Harvey verketteren de gebeurtenissen als ‘betekenisloze uitbarstingen’, ‘contraproductief geweld’ van ‘hersenloze relschoppers’ en ‘lompenproletarisch tuig’ of, in het geval van de Griekse Stalinistische KKE, als het werk van “anarcho-fascistische provocateurs”. Hun incapaciteit om deze gebeurtenissen te verteren tot de heldere formulematige blauwdrukken en bouwstenen van wat een kameraad van me ooit ‘lego-socialisme’ noemde (of dat nu Keynesiaans economisch ingrijpen of het ‘opbouwen van de partij en/of beweging’ is doet er niet toe) leidt hen tot een soort betuttelende ivoren-toren sociologie die probeert de relschoppers af te schilderen als het afval van een ‘rotte maatschappij’, een oppervlakkig symptoom van ‘neoliberalisme’ en bezuinigingen. Een houding die leidde tot beschamend naïve situaties waarbij sommige linkse sektes in Engeland moederziel alleen opriepen tot een ‘demonstratie tegen de bezuinigingen’ midden in een brandend Londen. Blijkbaar is voor hen de geschiedenis alleen te begrijpen door de lens van de sociale onderhandeling en het spook van het 10-punten programma. Ze beschuldigen de relschoppers van een ‘vals bewustzijn’ dat de stem van de politieke authoriteit, hun stem uiteraard, nodig heeft om vooruit te komen. Ze winden zich op over hoe de plunderingen ‘de massas’ vervreemd, dezelfde massa’s die van de pagina’s van de geschiedenis verdwenen lijken te zijn. Ze maken zich boos dat de relschoppers niet met een gemeenschappelijke tong willen spreken. Aangezien dit soort cliques en sektes zich sociaal reproduceren door wat Trotsky zelf al de ‘primitieve accumulatie van kaderleden’ noemde, is er voor hen niets ergers dan een gebeurtenis die ze niet kunnen interpreteren, omarmen of claimen te vertegenwoordigen. Het ontneemt hen het levensbloed van de legitimiteit en de bordenzwaaiers dat ze zo hard nodig hebben. Dus komen ze aan met halfhartige verontschuldigingen met als toevoeging dat “vooruit gaan betekent eisen leren stellen, het opbouwen van een alternatief, een echte tegenmacht, lid worden van de partij, de vakbond, de grassrootsgroep!” (“wie zal er toch in slagen om de woede van de armen richting te geven?” vraagt de arme clown Žižek zich af). En als dat niet werkt schrijven ze het hele gebeuren als als het resultaat van de ‘neoliberale mentaliteit’, de plunderingen als ‘hebzuchtig consumptiemaatschappijgedrag’, de stilte van de relschoppers tegenover de microfoons en camera’s van de macht als een teken van politiek analfabetisme.

Het woord barbaar komt van het Griekse barbaros (“buitenlands, vreemd”) en reflecteert de onbegrijpelijke buitenlandse taal van diegenen die van buiten de polis kwamen. Het is hun incapaciteit (of onwillendheid) om met Het Rijk te communiceren wat de barbaren maakt tot wat ze zijn. Het is dus geen wonder dat diegenen die hun potentie bevestigen met vuur zonder zich tot de instituties van links, de staat of het kapitaal te keren, zonder te beweren dat ze een reactie op armoede of bezuinigingen zijn, zonder zich druk te maken over vertegenwoordiging en het overbrengen van een boodschap, zonder eisen te stellen, afgeschilderd worden als barbaren. En uiteraard speelt het feit dat een significant deel van hen (maar verre van een grote meerderheid) ‘buitenlanders/immigranten/etc.’ zijn. En als ze dat niet zijn dan zijn de blanke relschoppers in de ogen van trillende oude mannen als David Starkey toch ‘effectief zwarten geworden’. Waarom spreken deze ‘nieuwe barbaren’ de taal van de oude wereld niet? Als ze niet slechts een symptoom zijn om beheerst te worden met reactionaire zweep (voor de conservatief) of Keynesiaanse wortel (voor links), en als ze geen eisen stellen noch een ‘beweging opbouwen’: wat dan?

Het tijdperk van de rellen

De kern van het problem ligt in het feit dat, zoals één analyse helder observeerde[3], velen de rellen zien al seen vraag waarop ze het antwoord moeten vinden, in plaats van hen te zien als het antwoord op een vraag die ze niet durven of kunnen stellen.

Van het verontwaardigde online Daily Mail of Telegraaf commentariaat tot de linkse activisten, iedereen heeft het over de ‘stompzinnigheid’ van relschoppers die ‘hun eigen wijken’ afbranden. Maar het is precies in dergelijke fenomenen dat de aard van de gebeurtenissen ontwaard kan worden. Hoewel diegenen die een fast-food restaurant in de fik staken om het CCTV-bewijs te vernietigen nadat ze de tent geplunderd hadden hun beslissing waarschijnlijk niet namen aan de hand van ‘rationale consumenten theorie’ en ze in ieder geval de komende maanden geen hamburger of friet om de hoek kunnen halen, is het plunderen van de kassa van de lokale McDonalds vanuit een rauw economisch oogpunt oneindig veel ‘rationeler’ dan alles wat het volledige parlement of de goed doorvoede technocraten van de gemeenteraad hebben proberen te bedenken als antwoord op de situatie.

Wat al diegenen die de mond vol hebben over ‘community-organizing’ niet inzien is dat het precies deze ‘gemeenschap’ is waar de relschoppers zich tegen keren. Diegenen die auto’s in brand steken en lokale slijterij-ketens plunderen geven precies aan hoeveel sprake van een ‘gemeenschap’ (die ze zogenaamd moeten ‘organiseren’) is. Hoewel men voor het gros van de 19e eeuw misschien kon spreken over zoiets als een autonome ‘gemeenschap van de arbeidersklasse’ die vooral formeel onderworpen aan het kapitaal was, is vandaag de dag de enige gemeenschap die bestaat die van het kapitaal. De banden die een samenleving bij elkaar houden waarvan het centrale paradigm fragmentatie en isolatie is zijn niets anders dan een verzameling stroppen. ‘Gemeenschap’ zijn de verminkte sociale relaties die geproduceert worden in de scholen, de verlopen torenflats, de op drank & drugs draaiende roes van de nachtclubs, het schimmige en wantrouwige circuit van de ‘informele economie’ en de monotone afbeuling van de werkplek. En hoewel dit voor de hele maatschappij geldt, van 3e generatie immigrant in de grootstedelijke buitenwijken tot de young urban professional die latte drinkt in de binnenstad, is de laatste in staat om ieder dag zijn masker te verversen terwijl hij bezig is met zijn klimtocht op de sociale ladder (totdat deze in duizend Prozac-verdoofde stukjes uit elkaar valt uiteraard). De eerste heeft zo’n vooruitzicht echter niet. Die wordt wakker en slaapt, dag in dag uit, waar ze in alle waarschijnlijkheid doodgaat en geen enkele schijn-‘gemeenschap’ kan dat ooit verdoezelen. En dus, terwijl diegenen die wanhopig de situatie willen kalmeren zich proberen te richten tot de lokale notabelen, de gemeenschapsfiguren, de imams, schieten rellende jongeren in de Franse buitenwijken met jachtgeweren op Moskeeen die fatwa’s tegen hen afkondigen.

Diegenen die branden, keren zich tegen alles wat hen maakt tot wat ze zijn.

Hoe zijn we hier terecht gekomen? Op wat voor vraag zijn deze rellen een ‘antwoord’? Wat maakt vandaag de dag kwalitatief anders dan de leren jack & hanenkam ‘no future’ van vroeger, of van de precaire positie van proletariers met platte petten die in lange rijen voor de gevlochten ijzeren fabriekspoorten van het Dickensiaanse Engeland stonden?

Om dat te kunnen begrijpen moeten we de huidige periode bekijken door een brede historische lens. Verschillende groepen en individuen [4,5,6,15] hebben hier uitgebreid over geschreven en ik zal proberen de kern van hun argumenten samen te vatten:

Quote:
Wat vandaag maar al te vaak simplistisch ‘neoliberalisme’ wordt genoemd is in feite niets meer dan de achteraf opgediende ideologische saus van de huidige vorm die het kapitalisme aanneemt. In tegenstelling tot allerlei beweringen over de neoliberale ideologie en Tatcher of Friedman zijn het niet dergelijke ideeen die het kapitalisme sturen, maar ze bieden haar slechts een ideologisch kader. De herstructurering van de jaren ’70 en ’80, waarvan de huidige crisis de keerzijde is, was een poging om de dalende winstvoet van midden jaren ’60 op te vangen. Ze nam tegelijkertijd de vorm aan van een tegenaanval van de bourgeoisie tegen een globaal proletariaat dat sinds ’68 in opstand aan het komen was. Haar eindresultaat was de finale genadeklap voor de arbeidersbeweging, het einde van significante nationale en regionale beperkingen op de circulatie van het kapitaal (wat tot uiting kwam in de gigantische boom van de financieele wereld aan het begin van de jaren ’80 en de daaropvolgende internationalisering van het kapitaal, een proces wat we tegenwoordig als ‘globalisering’ bestempelen) en het einde van het staatskapitalisme in het Oosten.

In het geherstructureerde kapitalisme beweegt het kapitaal in een oogopslag van de ene naar de andere kant van de wereld en kan ze eisen voor hogere lonen in Maleisië beantwoorden door het opzetten van nieuwe fabriekscomplexen in China. Ze heeft de aanval op de waarde van de arbeidskracht tot een functionele en permanente eigenschap van haar eigen dynamiek gemaakt. Deze trend heeft geleid tot de ontbinding van de arbeidersklasse als sociaal monolitisch blok en tot haar transformatie van een collectief subject dat met de kapitalistische klasse onderhandelt tot een wirwar van geatomiseerde proletariers, ieder individueel gerelateerd aan het kapitaal. Arbeiders circuleren sneller en de onderhandelingen over de prijs en omstandigheden van de arbeidskracht (bemiddeld door uitzendbureau’s die nog eens een hap uit de lonen nemen) zijn geindividualiseerd en zwak geworden. Het is de constante fragmentatie van de arbeidersklasse tot het punt waarop een groot deel van het proletariaat uit het productieproces geworpen wordt (hetzij permanent, hetzij met periodieke fluctuatie).

De herstructurering is geen afgesloten fase maar een permanente eigenschap van de nieuwe situatie, omdat men anders zou spreken over de productie van meerwaarde zonder arbeidskracht (als variabel kapitaal), over kapitaal zonder proletariaat, en dat is een structurele onmogelijkheid. De transformatie van het arbeidsproces rust op een stevige toename van het aandeel van constant kapitaal (automatisering, machines, vooruitgang in de informatie en communicatietechnologie, etc.) in relatie tot het totale kapitaal, wat het aandeel van variabel kapitaal (levende arbeid) doet afnemen. Deze verschuiving in wat autonomisten vaak de ‘technische samenstelling’ van het kapitaal noemen heeft de traditionele ‘massa-arbeider’ en haar productiepunten grotendeels doen verdwijnen: de grote fabriekshallen, platte petten, overals en arbeiderscultuur van vroeger zijn permanent verwezen naar de linkse folklore. [16]

En het revolutionaire programma dan? Hoe zit het met (revolutionaire) eisen, of de afwezigheid daarvan? Programmatisme is het idee dat het proletariaat fundamentele elementen van haar toekomstige sociale organisatie, als programma om te realiseren, vindt in het verloop van haar strijd als klasse. Het is de theorie en de praktijk van de bevestiging van (aspecten van) het proletariaat dat haar toenemende kracht (via haar vakbonden, haar vertegenwoordiging in het parlement of de ontwikkeling van ‘klassenbewustzijn’, etc.) ziet als opstapjes naar het communisme. Dit werd historisch gezien vertegenwoordigd door het syndicalisme, de sociaaldemocratie, het ‘gradualisme’ (het winnen van hervormingen om het raam voor de revolutie wat verder open te zetten), het evangelie van het ‘opbouwen van de partij’, etc. en vind haar stervende echo in het hedendaagse ‘lego-socialisme’ van veel linkse intellectuelen en activisten. Programmatisme werd echter geboren uit de relatie tussen arbeid en kapitaal onder wat soms ‘formele subsumptie’ wordt genoemd.

Quote:
Subsumptie is het proces waarbij productieverhoudingen het productieproces zelf veranderen. Bijvoorbeeld: waar onder ‘formele’ subsumptie bestaande arbeidsprocessen (technieken, markten, productiemiddelen, etc.) binnen het kapitaal getrokken worden, zoals boeren die hun producten nu op de markt verkopen maar nog steeds produceren op de manier waarop ze dat voorheen deden, transformeert ‘reeele’ subsumptie het arbeidsproces zelf. Diezelfde boer, aangedreven door de dynamieken van het kapitalisme, past zijn of haar agrarische methoden dus aan (e.g. intensieve veehouderij, kistkalveren, hormoonbehandelingen, etc.) om zich beter te schikken naar de eisen en noden die het kapitalisme oplegt. De overgang van formele naar reele subsumptie heeft de dagelijkse activiteiten van het proletariaat, haar identiteit en haar sociale horizon al lang en breed opgeslokt en geintegreerd en hier loopt ze vandaag de dag in de klassenstrijd tegen aan. Het proletariaat is op geen enkele wijze meer (voor zover dat misschien ooit het geval is geweest) een kracht extern maar onderworpen aan het kapitalisme, de basisvoorwaarde waarop ze de groei van haar sociale positie, van wat ze al reeds was, kon zien als de basis voor een revolutionaire ‘spilling over’. Wanneer het proletariaat zichzelf dus probeert te bevrijden tegenover het kapitaal op basis van dat wat ze is binnen het kapitaal, treed ze in contradictie met zichzelf en werpt ze haar eigen organisatie op als organisatie van de contra-revolutie, als beheer van een hernieuwd kapitalisme (zoals de historische ervaring van de Bolsjewieken in Rusland of de CNT in Spanje laten zien).

De specifieke arbeidersidentiteit die zich vormde in de nasleep van de 2e wereldoorlog was gebaseerd op het koppelen van de ‘bevestiging’ van de klasse (door bijvoorbeeld haar invloed op de looneisen) aan de groei van het kapitaal. Het Fordisme en de ontluikende consumptiemaatschappij waren hier de grootste symptomen van. De arbeidersidentiteit berustte op alle aspecten van deze positie binnen het productieproces (het lopendeband werk, de collectieve arbeider, de sterke arbeidsdeling, de garantie van sociale reproductie via de verzorgingsstaat,etc.). Dit reflecteert echter op geen enkele manier meer de kapitalistische realiteit. Vandaag de dag is de koppeling tussen de sociale reproductie van het proletariaat (inclusief haar looneisen en de daarmee geassocieerde consumptie) en de groei van het kapitaal losgelaten. Als gevolg hiervan zijn de looneisen veelal ‘gedelegitimiseerd’. Zo kan het dat de grootste staking uit de recente Nederlandse geschiedenis, de schoonmakersstaking, zulke relatief magere winst in de wacht sleept. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat tienduizenden arbeiders, politieke militanten en familieleden demonstreren tegen de sluiting van de Fordfabriek in Genk en dit niet kunnen stoppen. Zo kan het dat in Frankrijk arbeiders over moeten gaan tot het dreigen de fabrieken op te blazen, niet om sluiting te voorkomen maar in de hoop een betere ontslagvergoeding te krijgen. De transformatie van het arbeidsproces heeft de oude arbeidersklasse permanent gefragmenteerd en geen politieke campagne of externe dosis ‘klassenbewustzijn’ dat daar iets aan doet. [16]

De eerdergenoemde trends hebben de basis waarop de arbeidersidentiteit, haar instituten, haar historische erfenis en het vraagstuk van het ‘programmatisme’ berustten weggevaagd. Iets wat snel duidelijk wordt als we alleen al kijken naar de numerieke afname en gemiddelde leeftijd van de leden van deze gebroken bastions, en hun hedendaagse politieke impact. De ‘dood van links’ en de neurotische maar hopeloze pogingen van linkse intellectuelen om allerlei formules en schema’s te verzinnen om haar weer tot leven te wekken, om het juiste blauwdrukje te vinden dat het ‘klassenbewustzijn’ weer aan de gang krijgt is slechts een reflectie van deze tendens.

Als gevolg van deze situatie is een steeds groter deel van het proletariaat ‘overbodig’ aan de sociale reproductie van het kapitaal geworden. De sociale reproductie van hele segmenten van het proletariaat worden daarmee een last voor het kapitaal in plaats van een integraal element. De eerder genoemde loskoppling van de sociale reproductie van het proletariaat en die van het kapitaal (tot uiting komende in de delegitimisering van de looneisen) wordt tevens vergemakkelijkt door de toenemende logistieke capaciteit van bedrijven om hun productie te verplaatsen naar landen waar de arbeidskracht goedkoper is, de lonen van de arbeiders in de ‘kern’ landen daarmee drukkende. Tegelijkertijd stelt dit haar in staat goedkopere goederen te importeren en dus tijdelijk de loonsbevriezingen op te vangen. Het is echter de groei van het aandeel van de geimporteerde goederen in de consumptie van de arbeiders die het loonniveau nog minder impact laten hebben op de vraag naar binnenlands geproduceerde goederen, waardoor het loon meer en meer een kostenpost wordt om te minimaliseren, los van overwegingen omtrent de steeds krimpende relatie tussen de lonen, de binnenlandse consumptie en de groei van het kapitaal. Het eindresultaat is dat iedere eis voor gegeneraliseerde loonsverhogingen onmogelijk wordt omdat ze de concurrentiepositie van het nationale bedrijfsleven in twijfel zou trekken. Op een zelfde manier wordt iedere lokale eis voor zulke verhogingen ongeneraliseerbaar op nationaal niveau omdat ze zou betekenen dat het bedrijf haar concurrentiepositie zou verslechteren, wat de kans op relocatie of faillisement zou verhogen.

De herstructurering betekent dus de reductie van de directe en indirecte lonen (publieke diensten, uitkeringen, pensioenen, etc.); een toename van de prijs van essentiele goederen (zowel als gevolg van de crisisdynamiek als de daaropvolgende speculatie op voedselprijzen), etc. Wat dit in de praktijk betekend kan gezien worden in de afbraak van de verzorgingsstaten (en de daaraan verbonden ideologie van het Keynesianisme) door heel Europa. Hoewel het gros van links deze trage slachtpartij bejammerd zijn ze niet in staat om te zien dat deze vorm altijd slechts een overgangsfase was, intrinsiek verbonden aan de functies van de sociale reproductie die gepaard gingen met het Fordisme. De continu daling van de lonen, de verspreiding van de precariteit en de min of meer permanente uitsluiting van een groot deel van het proletariaat uit de productieve sfeer bepalen het kader van de ‘eisen’ van vandaag, wat in de praktijk maar al te vaak hun afwezigheid betekent.

Wat ons rest zijn verdwijnende staatssubsidies voor het overleven van een overschotsarbeidsbevolking en de opmars van de geflexibiliseerde arbeid, een uitdijende ‘informele economie’ (laten we er niet omheen dansen, daar bedoel ik natuurlijk gewoon hosselen mee) en regelrechte armoede. Proletariers zijn proletariers en hebben geen andere optie om te overleven dan om te werken, maar vinden zich tegelijkertijd in een positie waar het onmogelijk is om een baan te vinden die de kosten van de reproductie van hun arbeidskracht dekt (en dat omvat natuurlijk meer dan de kosten van eten en een dak boven je hoofd), of uberhaupt een baan. Wanneer sommige proletariers stabiele banen, ‘eerlijke’ lonen, lagere voedselprijzen,etc. eisen zeggen ze eigenlijk tegen het kapitaal: “he, je hebt ons nodig, zonder ons is er geen extractie van de meerwaarde en dus geen kapitaal!” (Zonder jou, kameraad arbeider, draait geen enkel tandwiel!). Waarop het kapitaal antwoord: “dikke pech vriend, voor jou duizend anderen, uit iedere uithoek van deze planeet, voor lagere lonen. Als het moet verplaats ik m’n fabriek of callcenter naar het midden van een of andere jungle in minder dan een maand”. De proletariers die al lang en breed, vaak permanent, uit het productieproces uitgesloten zijn kennen geen andere realiteit dan deze en de klassenstrijd en de daarmee geassocieerde organisaties van vroeger (de vakbond, de arbeiderspartij, etc.) zijn net zo vreemd aan hen als hun eigen ‘gemeenschappen’. Zij (en spoedig de rest van degenen die uitgesloten worden) worden niet geconfronteerd met de slinkse onderhandeltafels van de CAO akkoorden of de ruggestekende politicus of vakbondsbureaucraat maar met de meest rauwe vorm van kapitalistische overheersing: de politie.

Het is wel belangrijk om te benadrukken dat, in tegenstelling tot de beweringen van sommige radicalen, er geen sprake is van een coherente ‘onderklasse’, een groep van ‘uitgeslotenen’ tegenover de ‘ingeslotenen’, van ‘marginalen’, etc. In tegendeel, de werkeloosheid is een steeds steilere helling richting de arbeidsmarkt geworden; recente ontwikkelingen zoals ‘participatieplannen’, ‘workfare’ of andere campagnes om (semi-)permanent werkelozen “aan het werk te zetten” zijn hier slechts de laatste uitbreidingen van. Met name in sommige teksten van de insurrectionair anarchist Alfredo Bonanno [22] komt zo’n sentiment naar voren waarin men de ‘uitgeslotenen’ tegenover de ‘ingeslotenen’ (wat bijna neerkomt op een goedkoop ‘sell-out sheeple’ sentiment) plaatst als twee duidelijk omkaderde groepen. Het probleem hierbij is niet dat het gehele proletariaat nou zo intrinsiek vol revolutionaire dorst zit, maar precies dat deze ‘uitgeslotenen’ dit ook niet zitten. Pogingen om oude revolutionaire subjecten (de gemythologiseerde versie van de arbeidersklasse) te vervangen door nieuwe speeltjes (of dat nu de ‘marginalen’ zijn, ‘precaire arbeiders’ of de ‘multitude’) zijn onzinnige oefeningen in sociologisch navelstaren. Wat belangrijk is in observaties over een ‘overschotsbevolking’ is niet zozeer dat dit duidelijke groepen produceert, maar het onderliggende mechanisme zelf en de situaties die dat mechanisme produceert. Dus ondanks het feit dat massale en structurele werkeloosheid een kenmerk is geworden van de huidige periode, en van bepaalde delen van de bevolking in het algemeen, is de ‘overschotsbevolking’ eerder te zien als een permanent onzekerheidsregime waarin werk en werkeloosheid wisselvallig worden en het laatste zich manifesteert als een permanente zoektocht naar een baan. Ook het hebben van werk wordt door deze tendens steeds instabieler, met een toename in flexwerk, afstoting van vaste krachten naar de ‘zelfstandigheid’ en nul-uren contracten. De betekenis van werk/werkeloosheid is dus significant veranderd en de distinctie steeds minder duidelijk, waarmee de ‘overschotsbevolking’ dan ook geen netjes afkaderbaar nieuw ‘revolutionair subject’ is dat de oude massa-arbeider vervangt. De algemene wetmatigheid binnen het kapitalisme is om een overschotsbevolking te creeeren, het aloude ‘reserveleger van de arbeid’, maar vandaag de dag is dit een centrale dynamiek, een interne logica geworden, een sociale algemeenheid die zich niet beperkt tot een specifiek deel van de bevolking (ondanks dat er verschillen in druk zijn die deze dynamiek uitoefent): de onzekerheid is overal.

Om deze redenen identificeert de Griekse anti-staats communistische groep Blaumachen de huidige periode dan ook als het ‘Tijdperk van de rellen’ [4]. Deze periode wordt gekenmerkt door een groot deel van het proletariaat dat strijd zowel voor (omdat ze poogt te overleven) als tegen haar eigen reproductie (in de zin dat haar stabiele reproductie structureel onmogelijk is geworden). En dus keert het hen tegen alles wat hen maakt tot wat ze zijn, tegen het sociale terrein dat hen produceert. Niet in staat om direct in te grijpen in de productieve sfeer, zoals de fabrieksverbranders van Bangladesh dat doen, en niet in staat om eisen te stellen, richten ze zich op de circulatiesfeer (in de vorm van plunderingen, aanvallen op winkelpanden, pinautomaten, warenhuizen, etc.) en de sociale reproductie (in de vorm van bepaalde elementen van hun stadsomgeving en vooral de politie). De gewilligheid van politici van alle kleuren en maten om ‘aan eisen tegemoet te komen’ of ‘de situatie te verbeteren’ nadat de boel de fik in gaat moet en kan niet gezien worden als de ontluikende mogelijkheid voor eisenstellende strijd, een soort ‘bargaining by riot’, maar als een poging om de boel te sussen en (vrij letterlijk) de brandjes te blussen via middelen die veelzeggend genoeg nooit ingevoerd worden of gewoonweg niet werken. Ongeacht de symboopolitiek of tijdelijke verbeteringen die aangeboden worden om het vuur te blussen ligt de mogelijkheid voor een structurele, blijvende oplossing om ‘het tij te keren’ niet op tafel en de volledige levenservaring van een significant deel van het proletariaat is daar de levende getuigenis van. Deze rellen, of ze nu (initieel) beginnen met eisen (zoals het geval is met de textielarbeiders in Bangladesh) of zonder zullen de steden van de wereld veranderen in zones van intense en gewelddadige onrust. The Economist schreef in februari van dit jaar jubelend dat ‘de straten van Stockholm rood zagen van het bloed van heilige koeien’ als antwoord op de toenemende bezuinigingen in Zweden op publieke uitgaven, pensioenen, etc., toenemende privatiseringen en onderwijs ‘hervormingen’. Maar de straten van deze wereld zouden spoedig wel eens rood kunnen zien van een heel ander soort bloed…

Steeds meer proletariers over de hele wereld ervaren hun steeds precairdere en overbodige (tov het kapitaal) situatie als verstikkend en zien dit praktisch in de vorm van doodlopende part-time baantjes, de niet-zo-cool-als-op-TV realiteit van de criminaliteit, armoede en de deprimerende torenflats die men ‘thuis’ noemt. De wereld van vandaag de dag is gestort in het grijze beton van Clichy-sous-Bois, de muren van Frontex, de gemilitariseerde grenzen van de VS-Mexico en Turkije-Griekenland grens, de Palestijnse muur, de door soldaten bewaakte Chinese werkkampen en ‘zelfmoordproof’ fabrieken van Foxconn en de eindeloze ghetto’s, townships en favelas vlak naast de vergulde kooien van de gated communities van de rijken. De volledige planeet wordt langzaam maar zeker een grote gemilitariseerde apartheidszone: de toekomst is één gigantische sloppenwijk.

Criminality: pure and simple

Dus, wat nu? Waar is de dichtstbijzijnde nooduitgang?

Ik ben bang dat het zo simpel niet ligt. Maar als de bovenstaande vermoedens en analyses waar zijn, zouden we iets van een toekomst door de rook van de diverse rellen moeten kunnen ontwaren toch? Misschien kunnen we, al is het maar als werkhypothese, ons een blik van de nabije toekomst vormen? Als we de rellen van augustus 2011 in Londen [5,6, 15] als voorbeeld nemen kunnen we twee specifieke momenten zien: het aspect van de plunderingen en het aspect van de directe aanvallen.

Die laatsten bevonden zich vooral in voornamelijk proletarische, ethnisch gemixte binnenstadsgebieden en werden meestal getriggerd door politieacties (bijv. de initieele politieschietpartij waarbij Mark Duggan stierf en de daaropvolgende politierepressie). Uiteraard hadden deze wijken een geschiedenis van politierepressie en ‘rellende’ antwoorden daarop omdat voor de bewoners van deze wijken de politie het primaire gezicht van het leven onder het kapitalisme is. Deze aanvallen waren vooral gericht op de politie, symbolische doelwitten (politiebureau’s, gerechtshoven, reclasseringskantoren, etc.) of droegen bij aan de statische verdediging van bepaalde zones, wat hen tot ‘no go areas’ voor de autoriteiten maakte. Aanvullend op deze activiteiten waren de aanvallen die zich specifiek richtten op de upper-class gebieden waar wijdverspreide verwoesting van luxe auto’s, bourgeois boutiques en elitaire restaurants plaatsvonden zonder noemenswaardige plunderingen. Op een zelfde manier werden tijdens de rellen van mei 2013 in Stockholm de politiebureau’s van Jakobsberg, Hagsätra en Rågsved platgebrand. De inhoud van deze doelwitten wijst op waar de relschoppers zich tegen keerden, tegen een sociaal terrein dat hen maakte wat ze waren.

Het is belangrijk om te benadrukken dat het feit dat deze rellen geen ‘eisen’ stelden, niet zozeer betekend dat er zich geen eisen manifesteerden (in de eerste momenten van de rellengolf waren spandoeken en leuzen te ontwaren met vooral negatieve eisen omtrent politieoptreden zoals ’stop & search’, ethnisch profileren, hardhandig optreden, etc. Eisen die overigens al snel wegvielen in de tumulteuze uitingen van dit sentiment) maar dat de rellen niet gedreven werden door een coherent ‘eisenstellend’ subject, laat staan door een coherente verzameling ‘misstanden’ waar men eisen over zou kunnen stellen. Eventuele ‘eisen’ zijn dus eerder manifestaties van het feit dat de politie het centrale sociale reproductiemechanisme voor een deel van het proletariaat is geworden, dan onderhandelingsfiches zoals we die bij CAO-akkoorden zien. Omdat deze toestand niet iets is wat weg-onderhandeld kan worden (en zelfs hardhandig afdwingen van ‘betere’ politiebehandeling is grotendeels onmogelijk geworden), vallen eisen al snel weg in iets wat lijkt op pure negativiteit.

Het tweede aspect van de rellen was overduidelijk de plunderingen, het element dat zowel de ‘brave burgers’ als ‘links’ het meest tegen de borst stuitte. Het centrale doel van de deelnemers aan deze plunderingen was om allerlei goederen in bezit te krijgen en confrontaties met de politie werden in die momenten dan ook uit de weg gegaan, vergezeld van een zekere collectieve selectie van het doelwit (via SMS of andere berichtendiensten). De plunderingen waren meestal gericht op grote commerciele outlets zoals winkelcentra, shopping malls en warenhuizen en bestonden uit flexibele menigtes die gebruik maakten van fietsen en scooters om de geplunderde goederen te transporteren en de politie te ontwijken. Volgens statistieken verzameld door diverse bronnen, waaronder The Guardian [7], richtten de plunderingen zich vooral op electronica, kleding en voedselwaren, met een enkel pandjeshuis of pinautomaat er tussendoor. Goederen werden gebruikt of (in het geval van een dure buit) voor de doorverkoop of (in het geval van goedkope spullen) voor de directe consumptie en om te delen (zoals cigaretten en voedsel). Tegenover de afwezigheid van ‘eisen’ stond de directe toe-eigening van levensmiddelen door de plunderaars. Moralisten schreeuwden met geheven vingertje over het ‘materialisme’ en ‘consumentisme’ van de relschoppers wanneer ze foto’s zagen van jongeren die flat-screens binnenhaalden (naast foto’s van 5 kilo zakken basmati rijst die achterop fietsen geladen werden), dat waren immers geen ‘basisbehoeften’! En zelfs al zou men in zulke onzin geloven (wat zou betekenen dat alle marginalen zich maar bij de permanente marginaliteit moeten neerleggen), wat doet het er dan toe of een TV wordt doorverkocht voor een maand aan voedsel of dat men de zakken rijst onmiddelijk inlaad? Zo’n houding laat alleen maar zien dat slimme logistiek heel wat meer waard is dan vermoeid moralisme. In hun toe-eigeningen trokken de relschoppers kort de ‘commodity’, de logica van de koopwaar, in twijfel. Maar ze overstegen haar niet. Ze handelden slechts op het niveau van de circulatie omdat de productiesfeer buiten hun bereik is. Wat willen activisten of revolutionairen dan dat ze doen? Dat ze naar de call-centers, McDonald’s, DHL’s en paar overgebleven fabrieken rennen om de poorten op slot te doen? Het koor van verbaasde maatschappelijke verontwaardiging zou honderd keer zo luid hebben gezongen als in augustus. Om nog maar niet te spreken over de nutteloosheid en betekenisloosheid van zo’n voorstel.

Het derde aspect van de rellen was de rol die zelforganisatie hierin speelde, zowel aan de kant van de relschoppers als van de ‘forces of law & order’, en wat dit onthult voor de klassieke nadruk op zelforganisatie als ding an sich onder libertaire revolutionairen. Vanaf het moment dat de rellen zich uitbreidden van enkele wijken naar heel Londen, en later heel Engeland, begon het politieapparaat langzaam maar zeker te bezwijken onder de druk. Instortende communicatieinfrastructuur, gebrek aan oproeragenten, incapaciteit om te reageren op de snel verplaatsende groepen en het feit dat iedere repressiereactie de vlammen verder aanwakkerden zorgden ervoor dat grote gebieden tijdelijk tot politievrije zones werden omgetoverd. Het was precies op deze momenten dat wat begon als een anti-politie rel de ruimte openede om over te gaan in plunderingen. En het was ook op deze momenten, waarbij het klassieke repressieapparaat leek te bezwijken, dat de zelforganisatie van de relschoppers (in de vorm van kleine, informele autonome groepen, communicerend via gedecentraliseerde media) beantwoord werd door een ander soort zelforganisatie. De meest slappe variant hiervan was te zien in de archetypische ‘brave burgers’ die na afloop van een rel met demonstratieve bezem, handschoenen en politicus op de foto gingen om ‘de rommel op te ruimen’. Deze min of meer spontane manifestaties, georganiseerd via sociale media, werden opgevoerd als de ‘echte gemeenschap’, zo verbonden met hun wijken en ‘community’ dat ze na het fotomoment vaak toch al snel weg waren om de gemeentereiniging de boel af te laten maken. Dergelijke bezem-brigades waren uiteraard geen organische gemeenschap, en waren in alle waarschijnlijkheid in het dagelijks leven te vinden als strak langs elkaar heen lopende forenzen, maar vormden zich als puur negatieve pseudo-gemeenschap ten opzichte van de rellen. Het enige wat hen bond, wat hen tot de zogenaamde gemeenschap maakte, was hun gezamelijke afkeer van de rellen, niets meer, niets minder. Wie zou er immers geen geld op willen inzetten dat deze voormalige bezembrigadiers elkaar een maand nadien al ellebogend de trein uitwerkten op weg naar het werk? Toch weerhield dat bepaalde delen van ‘links’, vooral de meer populistische types, er niet van om deze voorbeelden aan te voeren als positieve ‘community organising’. Net zoals sommigen dat deden met enkele Turkse winkeleigenaren (waaronder menig drager van een grijze-wolven shirt gespot werd) die spontane, met honkbalknuppels bewapende, groepen vormden om plunderaars weg te jagen. Begrijpelijk vanuit de klassenpositie van een winkeleigenaar natuurlijk, maar wederom een teken dat zelforganisatie geen garantie voor een revolutionaire inhoud is (waarbij gezegd moet worden dat diverse groepen van meer links-getinte Turkse deelnemers aan zulke knokploegen zich later aansloten bij demonstraties tegen de politierepressie van relschoppers en hun afschildering in de media, wat hun tegenstrijdige rol duidelijk maakte). Om verder nog maar te zwijgen over de bezopen, decentraal opgetrommelde English Defense League (EDL) rechts-extremisten die zich in sommigen wijken manifesteerden, gillend dat er ‘vannacht een n***** aanging!’. Waar het staatsapparaat bezwijkt is zelforganisatie soms prima in staat om haar functies autonoom op te vangen en te dupliceren. Ironisch genoeg kwamen deze elementen van reactionaire zelforganisatie op hun beurt zelf weer in rellende botsting met de politie die in hen een verdere versplintering van de controle over het sociale terrein zag.

Een laatste opmerkelijk aspect is het ‘bende’ element van de hele kwestie. Zowel in het geval van Frankrijk in 2005 als Londen in 2011 werd het spook van de ethnisch gemengde ‘bende’ opgevoerd door zowel links als rechts als rethorische boeman. En hoewel hosselen zeker een deel is van het dagelijks leven van een deel van het proletariaat, zijn ‘bendes’ vaak niets meer dan fluide cliques die zich vormen rond reeds bestaande directe relaties tussen leeftijdsgenoten, familieleden, klasgenoten, vrienden, etc. Deze bendes functioneren vaak als deel van een groter netwerk van diffuse criminaliteit, maar in hun deelname aan de plunderingen en rellen trokken ze het functioneren van de bende als zakelijke ‘bedrijfseenheid’ in twijfel. Hoewel het voor de gewone bendeleden, ‘foot soldiers’ en ‘street crews’, die hier en daar wat verdienen met de verkoop van wat wiet of speed of wat dan ook, lucratief is om te plunderen, is het voor de hogere bende-leden, de ‘lumpen petit-bourgeoisie’, ronduit schadelijk. Je kan geen drugs fabriceren, verschepen of distribueren onder je dealers als de straten wemelen van de politie en rellen en plunderingen de aandacht op je bende vestigen. Er is een reden waarom de mafia historisch een anti-communistische stakingsbrekende organisatie is geweest, ironisch genoeg fervente aanhangers van een, selectieve, ‘law & order’ politiek. Tijdens deze tijdelijke opheffing van de ‘bende als bedrijf’ werden territoriale claims tijdelijk losgelaten, bestaande ‘beef’ even vergeten en eenheid gevonden tegenover een gemeenschappelijke vijand. Zoals ook graffiti door heel Los Angeles tijdens de rellen van ‘92 liet zien: ‘Crips, Bloods, Mexicans – together, tonite, 4/30/92 – fuck the LAPD’. Uiteraard, toen de golf van rellen stuk sloeg op de kust en het eb werd, staken al deze zaken weer de kop op en keerde de bende weer terug naar haar functie als bedrijf. Maar dat is de aard van een ‘retour a la normale’. De handelingen van de relschoppers konden slechts eindigen in deze bevestiging van de ruilhandel, van de commodity, door de doorverkoop van de buit omdat het overstijgen van het bestaan van de ruilhandel zelf alleen in twijfel getrokken kan worden op een veel algemener niveau door actieve communiseringsmaatregelen[19]. Waar de ruilhandel de enige manier van sociale reproductie is, zal het proletariaat daarnaar handelen. En dat is hoe de zaken ervoor staan, of we dat nu leuk vinden of niet. Iedere normatieve kijk die de rellen probeert als abstracte tactiek te zien, losgekoppeld van hun eigen geschiedenis en die proberen een revolutionaire strategie voor te schrijven is pure navelstaarderij. Voorstellen over ‘als we maar X hadden’, ‘ze hadden Y moeten doen’, etc. zijn pure roleplaying. Als de kaarten anders gedeeld waren, als X of Y daadwerkelijke opties waren geweest, dan hadden ze hoogstwaarschijnlijk wel de kop op gestoken.

Het criminele spook dat door de media en publieke reactie waarde reflecteerde de relatie tussen de relschoppers en de fictieve gemeenschap waar men zogenaamd deel van uitmaakt. Allerlei incidenten werden in dit beeld bij elkaar gegooid en tot een massief object gemaakt: confrontaties met de politie, plunderingen, de gebruikelijke brandstichtingen die met rellen gepaard gaan, individuele berovingen en andere zaken werden allemaal onder dit puur criminele spook geschaard. Dat er in Londen dag in, dag uit berovingen plaatsvinden en dat ook de chaos van de rellen hier ruimte aan bied, dat ethnisch getinte confrontaties zoals die tussen aziatische en afro-carribeaanse personen in Winson Green (wat later een door politie en media opgeklopte situatie bleek te zijn die sluimerende conflicten aanwakkerde) ontsprongen uit het eerder besproken type ethnische zelforganisatie tegen de rellen en plunderingen, wordt dan voor het gemak maar even vergeten. In de woorden van David Cameron was dit alles ‘criminality, pure and simple’: een soort onreduceerbare oer-criminaliteit, zonder reden of ratio, die volledig uit het niets de samenleving inbarstte, als barbaren voor de poorten van Rome. Maar proberen de ‘relschoppers een stem te geven’ of te laten zien ‘waar het allemaal om draaide’ is al even hopeloos als activisten die niet-bestaande gemeenschappen proberen te organiseren. De rellen gingen namelijk helemaal nergens over. Niet in de zin dat ze geen oorsprong hadden, maar in de zin dat ze er maar al te veel hadden. Rellen, en zeker dit type rel, hebben de neiging om zich weg te abstraheren van de oorzaken waaruit ze geboren worden. Ze zijn geen collectieve poging om een enkel, allesomvattend misstand aan te kaarten maar een zich ontvouwende reeks aan gebeurtenissen die meer en meer mensen en situaties aan zich binden. Deze afwezigheid van een reden, van eisen, deze pure negativiteit, komt ook terug in het ‘criminality, pure and simple’-sentiment, waar de enige inhoud van de rellen wordt gezien als de activiteit van maatschappelijke houtrot, een ‘kanker die weggesneden moet worden’ uit een verder zogenaamd gezond lichaam. Maar dat gezonde lichaam, die gemeenschap waar iedereen de bek vol van heeft, bestaat puur negatief ten opzichte van de relschoppers, als al diegenen die niet rellen, die niet plunderen zonder enige andere eigenschappen of verder sociaal weefsel. De gemeenschap is nergens te bekennen, behalve op die puur negatieve momenten: wanneer men zich moet afzetten tegen de ‘uitkeringsparasieten’, de ‘niet-assimilerende immigranten’, de ‘relschoppers en plunderaars’, de ‘politiek extremisten’. In een wereld waar gemeenschap alleen nog bestaat als een negatieve, rethorische constructie die moreel gewicht aan de veroordeling van datgene wat ze veroordeelt is het niet gek dat politieke gelul over (al dan niet nationale) identiteit, ‘wie we nog zijn’, etc. de talkshows domineert. In de woorden van de Greater Manchester korpschef: “Als een individu shoplift dan is dat slecht, maar als je dat in een groep doet is dat veel serieuzer… omdat het de maatschappij zelf bedreigt. We moeten eerlijk zijn hierover, als politieagenten zijn wij een dunne blauwe linie… het systeem werkt alleen als het overgrote deel van de mensen zich aan de wet houdt”. En het is alleen in deze dunne blauwe linie dat we nog de contouren van de oplichterij die voor gemeenschap door moet gaan kunnen ontwaren.

Het heeft dan ook alleen zin om de rellen, die van Londen als voorbeeld maar ruwweg generaliseerbaar naar deze gehele trend, niet te zien als een empiricistische chaos van feiten en statistieken, niet als een politiek-verteerbaar sociaal protest, maar als een zich ontvouwende reeks gebeurtenissen, overbepaald door een verzameling aan complexe omstandigheden, die op hun beurt de ruimte schiepen voor verdere sociaal explosieve confrontaties. Het overslaan van een reeks anti-politie demonstraties naar anti-politie rellen, naar de vestiging van politie-vrije zones, naar een ruimte voor plunderingen, naar het besmetten en aantrekken van verdere elementen die zich herkennen in het sentiment van de rellen of inhaken op de tot stand gekomen situatie, naar een op nationaal niveau in noodweer verkerend politieapparaat, naar een ruimte voor het tegen elkaar uitspelen van allerlei broedende conflicten en situaties die onder de ‘sociale vrede’ in de pan worden gehouden, naar een verdere verspreiding van zelforganisatie voor én tegen de rellen en het genereren van verdere rellen tussen die zelforganisaties en de politie, naar een grote opeenhoping van alles als het gapende zwarte gat in de ‘maatschappij’ en hoe verschrikkelijk dat allemaal wel niet is en het eindslot in de uitdovende vlammen en daaropvolgende repressie en massa-arrestaties.

Met het ontvouwen van deze strijdcyclus strijd het proletariaat (zowel de resterende semi-’stabiele’ kern die naar de rand wordt geduwd als dat deel dat al lang uitgeworpen is) voor haar eigen reproductie als klasse op een manier die diezelfde reproductie als een beperking onder het kapitaal ondervind, haar eigen bestaansomstandigheden worden het limiet van haar strijd. Dit limiet komt het hardst naar voren in zowel de eisen-stellende strijd, zoals de wanhopige conflicten van Franse petrochemische arbeiders die dreigen hun fabrieken op te blazen[8] of die van textielarbeiders uit Bangladesh die het halve land in de fik steken[9], als in het spervuur van explosies in de grootstedelijke kruitvaten. Binnen deze conflicten zullen breuken ontstaan binnen de proletarische praktijken (zoals kort het geval was tijdens de gebeurtenissen van februari 2012 in Athene [10] of binnen de anti-CPE strijd in Frankrijk [11] en de recente gebeurtenissen in Turkije of Brazilie[12,13,17] of binnen de eerder genoemde rellen). Dit kan zich, bijvoorbeeld, manifesteren als een breuk tussen verschillende praktijken, waar nieuwe praktijken ontspringen uit de limieten van de oude (zoals het ‘binnensijpelen’ van de relpraktijken binnen de indignado’s/occupy bewegingen[18]) die op hun beurt de dynamiek van de crisis verder kunnen intensifieeren. De incapaciteit van het proletariaat om stabiele resultaten te produceren zal de verspreiding van praktijken die dit limiet in twijfel trekken tot gevolg moeten hebben, praktijken die de proletarische toestand, het bestaan van kapitaal en de klassenmaatschappij, in twijfel trekken. Dit staat lijnrecht tegenover de oude theorie en praktijk van het politieke programma en het ‘arbeiderisme’, waarvan de geesten enkel nog door activistische en radicale kringen lijken te waren. In de handelingen van de relschoppers en plunderaars is een embryonale vorm te ontwaren van een poging om zulke praktijken te ontwikkelen. Een tot mislukken gedoemde poging, om diverse redenen, maar toch een ‘sign of things that might come’. De revolutionaire potentie die men binnen zulke ontwikkelingen kan zien is die van de potentie voor communisering[1], potentie die voortkomt uit wat vandaag de dag nodig is om onze beperkingen te overstijgen.

Als revolutionaire praktijk wordt [de communisering] gekarakteriseerd door het proletariaat dat, in haar strijd met het kapitaal, onmiddelijk de taak op zich neemt om de omstandigheden van haar eigen leven af te schaffen, i.e. al datgene wat het proletariaat tot een klasse maakt: eigendom, ruilhandel, werk, de Staat, etc. Zo’n revolutie zal zich niet voltrekken door het veroveren van de politieke macht noch door het overnemen van de productiemiddelen, zelfs niet als tussenstap in het proces. In tegendeel, het revolutionaire proces wordt gekarakteriseerd door het proces waarbij politiek en de economie, de waarde-vorm als sociale bemiddeling tussen individuen, worden afgeschaft en vervangen door communisme. Het proletariaat werpt zich dus niet op als de dominante klasse, maar heft zichzelf op samen met alle andere klassen tenmidden van haar strijd tegen het kapitaal. Communisering komt niet uit de lucht vallen, noch arriveert het ‘uit de toekomst’; ze is een kwalitatieve sprong en een breuk met de vorm van de klassenstrijd die we dagelijks om ons heen zien (de strijd om lonen, arbeidsomstandigheden, etc.). Ze breekt uit op het moment dat proletariers gedwongen worden om communistische maatregelen te nemen tegen de klassenvijand: methoden waarmee het kapitaal vernietigd kan worden. [19]

Dit soort maatregelen zullen hun vorm en inhoud krijgen door problemen die opgeworpen worden in de confrontatie zelf, problemen zoals de diepgewortelde mechanismes van sociale controle (en de behoefte daaraan) die reactionaire zelforganisaties opwierpen toen het staatsapparaat zich terug begon te trekken, problemen zoals de reproductie van de ruilhandel via de doorverkoop van geplunderde goederen, problemen zoals de afhankelijkheid van proletariers van diezelfde mechanismes (de staat, de loonarbeid, etc.) waarmee ze strijden, etc.:

Voor een opstand is de centrale vraag: hoe voorbij het point of no return te gaan. Onomkeerbaarheid van de opstand wordt bereikt wanneer de autoritaire behoefte naar autoriteit verslagen wordt, wanneer de kapitale dorst naar accumulatie verslagen wordt, wanneer de hegemonische drang naar hegemonie verslagen wordt. Dat is waarom het insurrectionaire proces in zichzelf de vormen van haar eigen overwinning, of juist die van haar nederlaag bevat.

Vernietiging alleen is nooit genoeg geweest om zaken tot het point of no return te brengen. Het zit juist in hoe men dit doet. Er zijn manieren van verwoesting die onherroepelijk de terugkeer van het vernietigde met zich meebrengen. Diegene die het lijk van een sociale orde schopt wekt gegarandeert haar professionele wrekers. Wanneer de economie geblokkeerd wordt, wanneer de politie geneutraliseerd wordt, is het belangrijk om zo min mogelijk mededogen te hebben in de omverwerping van de autoriteiten.

In deze tijden is het antwoord op de decentralisatie van de macht het einde van alle revolutionaire centraliteit. Er zijn nog vele Winterpaleizen over, maar die zijn eerder ontworpen om bestormd te worden door toeristen dan door opstandelingen. In onze levens kunnen we misschien Parijs, Rome of Buenos Aires overnemen en nog steeds de definitieve slag niet winnen. Rungis [20] overnemen heeft immers een veel groter effect dan het bezetten van het Elysee.[21]

De algemene les hier, iss dat er van de klassenstrijd naar revolutie slechts een kwalitatieve sprong mogelijk is, en geen lineaire doorgroei, en dat fixeren op zaken zoals politieke vormen al helemaal een doodlopend spoor is. Deze sprong is uiteraard geen instant-coffee achtige goddelijke tussenkomst, noch het idee dat proletariers zich uiteindelijk ‘bewust moeten worden’ dat er slechts ‘one solution: revolution’ is (dat typische ’revolutionaire bewustzijn’® dat ze plotseling in het gezicht moet slaan). Maar een sprong als het product van het ontvouwen van deze gebeurtenissen, het product van een samenkomst van meer en meer breuken binnen verschillende conflicten die hun limiet benaderen: de gemeenschappelijke beperking van de proletarische toestand. Er zijn diverse factoren die meespelen in het al dan niet successvol verspreiden van zulke breuken, zoals de mate waarin de staten (voornamelijk die in de Westerse ‘kern’-landen zoals Frankrijk, Engeland,Zweden, etc.) die geconfronteerd worden met de grootschalige rellen in staat zijn om een legitimisering en militarisering van de repressie tegen de meest rebelse elementen van de ‘overschotsbevolking’ op te bouwen. Maar ook de mate waarin en manieren waarop de instortende ‘middenklasse’, die prominent aanwezig in de ‘pleinbezettingsbewegingen’ [18] is (voornamelijk in de zogenaamde ‘tweede wereld’ of landen die op weg zijn daar naar af te glijden, zoals Turkije, Brazilie, Griekenland, Spanje, etc.), in het proletariaat zinkt en zich met haar vermengt, in hoeverre er een kruisbestuiving tussen beide praktijken bestaat die voorbij de limieten van beiden kan treden. De generalisering van de strijd zal niet te vinden zijn in de oude ‘klasseneenheid’ of haar hopeloze organisaties, maar in de verschillende praktijken die verscheidene aspecten van de productie, circulatie en reproductie van het kapitaal lam leggen, daarmee de proletarische toestand zelf destabiliserend. Deze samenkomst zal niet Politiek-met-een-hoofdletter P zijn. Ze zal zich niet kunnen kristalliseren en vastleggen in een bepaalde politieke vorm (iets wat een moment van afremming en daarmee contra-revolutie zou zijn) omdat iedere stabiele basis daarvoor weggeslagen is, omdat ze de klassenstrijd zelf keer op keer tegen zal komen als haar eigen beperking, tot op het punt dat alleen de voortdurende uitbreiding en vermenigvuldiging van zulke breuken een vorm van overstijging kunnen produceren: de kwalitatieve sprong van revolutie. Een sprong bestaande uit maatregelen die ofwel het kapitaal aanvallen en het volledige leven communiseren, ofwel volledig vermorzeld worden.

Referenties:

[1] http://libcom.org/tags/communisation

[2] http://en.wikipedia.org/wiki/2013_Stockholm_riots

[3] http://libcom.org/library/history-sphinx-riots-uprisings

[4] http://libcom.org/library/era-riots-update

[5] http://www.blaumachen.gr/2012/10/the-feral-underclass-hits-the-streets/

[6] http://libcom.org/library/intakes-communities-commodities-class-august-2...

[7]http://www.guardian.co.uk/news/datablog/2011/aug/09/uk-riots-data-figure... , http://www.guardian.co.uk/news/datablog/2011/aug/09/uk-riots-incident-li...

[8]http://riff-raff.se/texts/en/sic1-how-one-can-still-put-forward-demands-...

[9] http://libcom.org/news/article.php/bangladesh-garment-revolt-140706

[10] http://libcom.org/library/rise-non-subject

[11] http://libcom.org/blog/cpe-france

[12] http://libcom.org/tags/occupy-gezi

[13] http://saladuprising.tumblr.com/

[14] http://libcom.org/library/communisation

[15] http://endnotes.org.uk/articles/20

[16] http://cerclenoir.wordpress.com/2013/12/23/the-point-of-no-return/

[17] http://www.blaumachen.gr/2013/06/from-sweden-to-turkey-the-uneven-dynami...

[18] http://cerclenoir.wordpress.com/2012/10/13/de-indignados-beweging-in-gri...

[19] http://riff-raff.se/texts/en/crisis-and-communisation

[20] Het Élysée paleis is de officiele residentie van de president van Frankrijk en de locatie waar de ministerraad bij elkaar komt. Rungis is een gemeente met 5424 inwoners in het Franse departement Val-de-Marne en de locatie van de grootste voedselgroothandel en opslag in de regio-Parijs.

[21] http://tarnac9.wordpress.com/texts/the-coming-insurrection

[22]http://theanarchistlibrary.org/library/alfredo-m-bonanno-from-riot-to-in...

Posted By

CercleNoir
Aug 8 2014 16:53

Tags

Share


  • En dus, terwijl diegenen die wanhopig de situatie willen kalmeren zich proberen te richten tot de lokale notabelen, de gemeenschapsfiguren, de imams, schieten rellende jongeren in de Franse buitenwijken met jachtgeweren op Moskeeen die fatwa’s tegen hen afkondigen.

Attached files