Recensie: Ernst Bloch’s Das Prinzip Hoffnung - Loren Goldner

Three volumes of Bloch’s Das Prinzip Hoffnung

Een recensie van Ernst Bloch's Das Prinzip Hoffnung (1959) die ingaat op de actualiteit van Bloch's denken over de relatie natuur/mens/techniek en de politisering van technologie en natuurwetenschap.

Ernst Bloch, The Principle of Hope, 3 banden. (Cambridge: MIT Press, 1986.) Vertaald door N. Plaice, S. Plaice en P. Knight.

De vertaling naar het Engels van Ernst Bloch's hoofdwerk Das Prinzip Hoffnung, bijna veertig jaar nadat het boek in Amerikaanse ballingschap geschreven werd en ruim vijfentwintig jaar nadat er een definitieve, herziene editie van in het Duits verscheen, is op zichzelf al een gebeurtenis van belang voor de consolidatie van een serieuze Marxistische stroming in het Engelse taalgebied. Deze vertraging heeft een diepere oorzaak dan de relatieve internationale onbekendheid van Bloch (in vergelijking met de veel bekendere Frankfurter Schule of de inmiddels verbleekte grootheden van het Parijse Marxisme) of de moeilijkheden die zich voordoen bij het vertalen van zijn expressionistische Duits naar de taal van Locke en Hume zonder daarbij verraad te plegen aan de levendige multidimensionaliteit die zich in elke zinswending manifesteert (een taak die de vertalers hier op een lovenswaardige manier volbracht hebben).

Er moest veel gebeuren om te zorgen dat Bloch “hedendaags” werd, en in de meeste opzichten blijft hij nog steeds meer een tijdgenoot van de eenentwintigste eeuw. Wat een werk visionair maakt, is tenslotte precies datgene wat door de loop van de geschiedenis inzichtelijk gemaakt wordt. Toen Das Prinzip Hoffnung in 1959 Duitsland verscheen (twee jaar voor Bloch’s zelfgekozen ballingschap van Oost- naar West-Duitsland), heerste er in het hele Westen (en nergens sterker dan in de Engelssprekende landen) de gewichtige opinie dat het materialisme van Marx, of dit nou goed of slecht gevonden werd, weinig verschilde van het sombere determinisme van het mid-negentiende-eeuwse Manchesterisme of het recentere Zhdanovisme, de in grijstonen geschilderde wereld waarin “het brein gedachten voortbrengt zoals de lever gal”.

Bijna een eeuw lang konden pamflettisten en ideologen hun brood verdienen met het verspreiden van deze visie, het meest recentelijk in dienst van de Sovjetstaat en de westerse communistische partijen. Op dezelfde manier als de kapitalistische zelfrechtvaardiging en de Sovjet-raison d'état een belangenovereenkomst ontdekten in het als “communisme” afschilderen van de bureaucratische nachtmerrie, waren hardwerkende epistemologen aan weerszijden van de Koude Oorlog overtuigd dat het een deugd was om het denken van Marx te omlijsten met geijkte frases als “economisch determinisme” en “mechanistisch materialisme”, en het stevig te monteren op de “ijzeren historische wetten” die door getrouwen begrepen werden “in het besef van hun noodzaak”.

Deze visie op Marx kreeg echter al spoedig de bestemming vuilnisbak, en het is niet nodig om lang stil te staan bij, enerzijds, de redelijk bekende opeenvolging van nieuw gepubliceerde Marx-teksten en commentaren daarop, en anderzijds de gebeurtenissen en het klimaat waardoor hun “receptie” versterkt werd, die dit tot gevolg had. Van de internationale verspreiding van de “manuscripten van 1844” tot het beschikbaar worden van de lang obscuur gebleven Grundrisse tot de opheldering van de diepe en levenslange schuld aan Hegel die in de “late” geschriften van Marx zichtbaar is, zoals in het ongepubliceerde zesde hoofdstuk van het eerste deel van Das Kapital, en de opleving van arbeidersstrijd tussen 1968 en 1973 en later, was het alsof twee decennia van de geschiedenis samenzweerden om aan te tonen hoe juist Marx’ elfde stelling over Feuerbach [1] was, waarin Marx zijn standpunt scherp afzette tegen alle eerdere materialisten door de nadruk die hij legde op de actieve, zintuiglijke totstandkoming van de werkelijkheid door concrete historische actoren en op het falen van het vulgaire materialisme “om activiteit als iets objectiefs op te vatten”.

Als één van een heel klein groepje vroeg-twintigste-eeuwse pioniers in het “terugvinden” van deze opvatting van Marx, verwierf Ernst Bloch internationale prominentie tijdens de Marxistische renaissance van de jaren 1960 en 1970 als iemand die daarin eindelijk in zijn element was. Tot redelijk kortgeleden was de schaarste aan Engelse Blochvertalingen in wezen een schandalig feit, en deze Engelstalige uitgave van The Principle of Hope zal veel doen om in die situatie herstel te brengen. Maar het is zeker niet genoeg om Bloch simpelweg als een extra naam toe te voegen aan een sterrenstelsel waar Lukács en Korsch al deel van uitmaken, of verschillende figuren van de Frankfurter Schule (waar Bloch ten onrechte aan gekoppeld wordt) zoals Adorno, Horkheimer, Benjamin of Habermas, om maar even niets te zeggen over het dorre en afgeknotte scientisme van figuren als Althusser of Colletti. In Das Prinzip Hoffnung laat hij zien dat hij een andere aanleg heeft dan elk van de genoemde auteurs en dat hij beschikt over een Renaissance-achtige breedte aan interesses die door maar weinig anderen geëvenaard wordt. Als Bloch zich in de tekst niet heel erg inspant om zich van zijn vrienden bij de Frankfurter Schule te onderscheiden, is zijn gezichtspunt toch mijlen verwijderd van hun herbevestiging van het (Hegeliaanse) dualisme van Geist en Natur dat Marx aanvankelijk tussen 1843 en 1845 op een emancipatoire manier te boven wist te komen.

Slechts met aarzeling zou je een werk dat zo kosmisch van reikwijdte is als Das Prinzip Hoffnung in een paar bladzijden willen proberen samen te vatten. Nogmaals, veel van wat er in de internationale debatten van de jaren 1950 en 1960 heel geavanceerd was en waarnaar we hierboven al verwezen hebben, is vervolgens op zo’n manier geabsorbeerd dat de avant-gardistische kwaliteit ervan minder direct in het oog springt. In een werk dat substantieel ingaat op thema’s die zo divers zijn als de alchemie van Paracelsus, laatmiddeleeuws millenarisme, de Kaballah en het Joodse messianisme, moderne natuurkunde, Indiase en Chinese filosofie, opera, landschapsschilderkunst en architectuur (om er slechts enkele te noemen), is het nodig om bepaalde hoofdlijnen van de polemische insteek te extraheren en deze te situeren in verband met de voornaamste doelwitten ervan.

Je zou misschien kunnen zeggen dat de drie delen van Das Prinzip Hoffnung een lange voetnoot vormen bij de opmerking van Marx dat “de mensheid reeds lange tijd een droom bezeten heeft die zij alleen maar in bewustzijn hoeft te bezitten, om hem ook werkelijk te bezitten.” Het project van Bloch, dat (in zijn eigen formulering) gesitueerd is in de “warme” in plaats van de “koude” stroom van het Marxisme, is om voor de concrete, praktische utopie van de toekomst het breedst mogelijke spectrum van historische voortbrengselen van de menselijke verbeelding toe te eigenen, om hun "diesseitige” karakter aan te tonen evenals hun waarheid. Hiermee breidt hij slechts de benadering van Marx’ kritiek van religie uit over een veel breder scala van dergelijke menselijke scheppingen dan de meeste Marxisten geneigd zijn te doen. Het is zeker het geval dat de meeste Marxisten, en in nog veel sterkere mate de meeste Marx-commentatoren, de religiekritiek van Marx op nogal gebrekkige wijze opvatten, evenals de rol die deze in zijn werk vervult, terwijl Marx deze zelf aanmerkte als “de basisvoorwaarde voor alle mogelijke kritiek”. Marx en Bloch bekritiseren religie niet als “misvatting” vanuit het gezichtspunt van een of ander beperkt “wetenschappelijk” standpunt dat zelf over de waarheid beschikt; het project van Marx en Bloch is om de menselijke waarheid van religie te laten zien (als één van meerdere voortbrengselen van de menselijke verbeelding in de maatschappij) en om voorbereidingen te treffen voor de realisatie van die waarheid in maatschappelijke omstandigheden waarin de religieuze illusie niet langer nodig zal zijn. Als antecedenten voor dit type atheïsme wendt Bloch zich tot een aantal laatmiddeleeuwse millenaristen wiens ketterij zo ver ging dat ze God zelf beschouwden als een teniet-te-doen obstakel voor de volledige realisatie van het aardse koninkrijk; dit in tegenstelling tot het gebruikelijke achttiende-eeuwse Verlichtingsatheïsme dat doorgaans aan Marx toegeschreven wordt.

In Das Prinzip Hoffnung breidt Bloch deze methode van “toe-eigening” uit tot een waarachtige alchemistenketel aan obscure creaties. Wat er in Bloch’s werk op het spel staat is de betekenis van de verhouding tussen de mensheid en de natuur, een project dat, in zijn eigen woorden, gericht is op de “vermenselijking van de natuur en het naturaliseren van de mensheid”. Door dit gezichtspunt wordt in ieder geval haast elke gebruikelijke variant van het “Marxisme” of Marx-interpretatie op losse schroeven gesteld. Bloch laat zien dat de actieve menselijke samenstelling van de wereld door historische activiteit het principe is waarmee Marx zich van elk eerder “Democritisch” materialisme onderscheidt. Bloch volgt niet enkel het voorbeeld van Marx in het opnemen van “de actieve kant die door het idealisme uitgewerkt is” (Stellingen over Feuerbach) als gevolg waarvan de meeste Marx-studenten niet verder komen dan Hegel en Schelling; hij laat zien dat figuren als Giordano Bruno, Paracelsus en Jacob Böhme feitelijk tijdens de Renaissance en de Reformatie een visie op de mens-in-de-natuur ontwikkelden, als de verzoening van natura naturans en natura naturata, die in de theologie en de filosofie van Erigena tot Spinoza onderwerp van aandacht waren - een conceptie van een actieve, levende materie die met verbeeldingskracht begiftigd was, de herinnering waaraan door de Galileïsch-Newtoniaanse natuurkunde definitief begraven werd. Dit laat zien hoezeer Bloch een tegenvoeter is van de Frankfurter Schule en hun Weberiaanse idee dat “heerschappij” het principe is dat de menselijke verhouding met de natuur kenmerkt. Terwijl de Frankfurter Schule in sommige opzichten de piek vormde van de twintigste-eeuwse heropleving van interesse voor Hegel, volgde deze, zoals Georg Lichtheim stelde, doorgaans de route “van Marx naar Hegel”; vol afschuw van het vulgaire materialisme van de officiële arbeidersbeweging van de Tweede en Derde Internationale, omhelsden ze van de weeromstuit “de actieve kant die door het idealisme uitgewerkt is” door precies het hele gebied van natuur en wetenschap af te doen als ”overheersing” en ”instrumenteel denken”, waarmee ze bevestigden dat ze in wezen als Mandarijnen naar de wereld keken.

Stellig koos Bloch precies voor de tegenovergestelde benadering; in plaats van het afperken van een wereld van “Geist” van de ”instrumentele” wereld van de natuur en de natuurwetenschap, volgt Bloch het pad van Bruno en Paracelsus richting een beeld van de natuur als iets dat zelf deel uitmaakt van de “actieve” kant, om het vulgaire, mechanische materialisme in zijn eigen bastion de grond onder de voeten weg te trekken. In zijn laatste postuum gepubliceerde werk, Experimentum Mundi, komt Bloch er dicht in de buurt om aan de natuur zelf een soort subjectiviteit toe te schrijven.

Hoe ver het boek van Bloch zijn tijd ook vooruit was, zijn er natuurlijk ook wel tekenen van de tijd waarin het geschreven is. Door zijn incidentele terzijdes over de prestaties van de Sovjetunie, die met name dienen als illustratie van concrete utopische realisaties, vraag je je af waar al die verheven concepties werkelijk de grond raken. Concrete politieke analyse was nooit een sterke kant van Bloch en evenmin van een aantal andere twintigste-eeuwse pioniers die hun best gedaan hebben om de werkelijke statuur van de theorie van Marx te herstellen (Bloch’s essay “Jubeljaar voor Renegaten”, dat geschreven is als een verdediging van de Moskouse showprocessen, laat zien dat zelfs een bewust gehegelianiseerd Marxisme gebruikt kan worden om haast alles te rechtvaardigen). Ook is er het vraagstuk van Bloch’s relatie met de huidige milieubeweging in West-Duitsland, een relatie die ingewikkeld genoeg is dat er op zich al een heel essay aan te wijden zou zijn. Critici van Bloch zijn vaak vlug om erop te wijzen dat de bescheiden vloedgolf van interesse in sjamanisme, hekserij, Steineriaanse antroposofie en de herleving van de Duitse romantische traditie van natuurmysticisme die een thuis heeft gevonden onder de aanhang van de Duitse Groene partij (iets dat misschien het best gearticuleerd is in Hans Peter Duerr’s briljante maar eigenzinnige studie Traumzeit) op één lijn ligt met de zaken waarbij Bloch zich betrokken voelt. Aantonen waarom dit idee onjuist is, zou hier te ver voeren. Maar waar geen twijfel over bestaat is dat ecologische crisis, het kernenergievraagstuk, de high-tech industriële herstructurering en tal van andere vragen de “politisering” van natuur en wetenschap op de maatschappelijke agenda gezet hebben op een manier die voor eerdere politieke generaties ongekend was.

De “vermenselijking van de natuur en de naturalisering van de mensheid” bevindt zich meer dan ooit tevoren in het centrum van de actuele politiek, op een manier die ook door traditionele politieke partijen niet meer genegeerd kan worden. Deze realiteit vormde inderdaad een uitdaging voor het merendeel van het “westerse Marxisme” (om een actueel etiket te gebruiken voor de generatie van de jaren 1960 en 1970 die door Lukács, Gramsci, Korsch, Althusser en aanverwanten geïnspireerd werd) die ze echter jammerlijk heeft laten liggen. In de jaren 1950 en 1960 was het gevecht om de Zhdanov'se orthodoxie van zijn troon te stoten dusdanig van aard dat de beste inspanningen gericht waren op het al genoemde “opgraven” van de Hegeliaanse bronnen van Marx. Maar een mogelijk onbedoeld gevolg van deze polemiek was dat alle centrale vraagstukken weer geplaatst werden op het filosofische vlak - alsof alles op het niveau van methodiek beslecht kon worden - terwijl Marx zich juist had ingespannen om ze daarvan te bevrijden. In een periode waarin “economische crisis” iets leek dat thuishoorde in het museum van een eerdere fase van het kapitalisme, en dat gezien kon worden als een typisch onderwerp voor het ”mechanistische Marxisme”, was het veel interessanter om het te hebben over cultuurkritiek, psychoanalyse, symbolische antropologie, literaire semiotiek enzovoorts. De vragen van economie, technologie en wetenschap waren niet alleen het terrein van het “vulgaire Marxisme” geworden; deze onderwerpen werden door de meeste ”westerse Marxisten” oninteressant gevonden. Dergelijke gebieden konden nu met een paar bezwerende formules rond een codewoord als “instrumentalisme” terzijde geschoven worden. Wat een verschil met de door Marx gekozen benadering in dezelfde manuscripten van 1844, waarop deze stroming zich beweerde te baseren!

Veel van het creatieve Marxisme van de vroege twintigste eeuw - het werk van Luxemburg, Trotski of Bordiga - of van de latere generatie die gevormd werd tijdens de zwarte jaren van het opkomende Stalinisme, zoals C.L.R. James of Paul Mattick sr., was een voortbrengsel van de onstuimige strijdopleving van 1917-1921 en de nasleep daarvan. Zelfs de “professoren” Korsch en Lukács haalden de inspiratie voor hun belangrijkste werk uit die ervaring van de sovjets en arbeidersraden die aan het eind van de Eerste Wereldoorlog in talloze steden van Glasgow tot Moskou opgericht werden. De verspreiding van het “westerse Marxisme” na 1968 had op vergelijkbare wijze zijn opmars te danken aan de terugkeer van radicale activiteit van de werkende klasse tussen 1968 en 1973. Maar de opmars van deze internationale “linkse academie” zorgde ervoor dat het “westerse Marxisme” een Marxisme van academische docenten werd en versterkte de duidelijke neiging van die maatschappelijke laag om het dualisme van Geist en Natur te reproduceren dat al minstens sinds de negentiende eeuw een onwrikbaar onderdeel van het academische onderwijs is. De kritiek op de “westerse Marxisten” is hier niet dat ze professoren waren, of dat ze de periode 1917-1921 niet meemaakten. Ernst Bloch was het grootste deel van zijn leven professor, en zoals al aangegeven laten zijn politieke verbintenissen aan het Stalinisme zien dat creatieve originaliteit op het ene vlak zeker geen garantie vormt tegen banaliteit op het andere.

De uitdaging die Bloch aan de hedendaagse linkse intelligentsia stelt, zoals in Das Prinzip Hoffnung en elders gearticuleerd, ligt in zijn bevestiging van een enkele unitaire wetenschap die de natuur, materie en de kosmos zelf ziet als een zintuiglijk, levend en historisch proces dat in de menselijke geschiedenis zijn voortzetting vindt. Het verschijnen van deze vertaling van Bloch’s boek, gecombineerd met de meervoudige economische, maatschappelijke en ecologische crises van het heden en de toekomst, laten een weg vooruit zien voor westerse Marxisten, die momenteel in een richtingloze toestand verkeren nadat ze bewust of onbewust de vergissingen van de Jong-Hegelianen gereproduceerd hebben en de stap teruggezet hebben richting “kritische kritiek” waartoe ze door Adorno aan het begin van diens Negative Dialektik uitgenodigd werden. Door in te gaan tegen het huidige gentrificatieproces van het Marxisme, om nog maar te zwijgen over post-Marxisme en postmodernisme, opent het werk van Bloch een pad naar het domein waar “het denken niet alleen zijn werkelijkheid moet zoeken, maar de werkelijkheid ook moet zoeken naar zijn denken”.

De Engelse versie van deze tekst uit 1986 staat op de site van de auteur: http://breaktheirhaughtypower.org/review-the-principle-of-hope-by-ernst-...

1. Dit is een vergissing van de auteur, het gaat hier juist om Marx’ eerste stelling; de elfde is het vaak geciteerde motto: "De filosofen hebben de wereld slechts verschillend geïnterpreteerd; het komt er op aan haar te veranderen." Zie: https://www.marxists.org/nederlands/marx-engels/1845/1845feuerbach.htm

Posted By

spacious
Sep 1 2019 19:31

Share


  • Terwijl de Frankfurter Schule de neiging had om het hele gebied van natuur en wetenschap af te doen als ”overheersing” en ”instrumenteel denken”, koos Bloch stellig precies voor de tegenovergestelde benadering.

    Loren Goldner

Attached files

Comments

jaycee
Sep 3 2019 16:33

Ive never seen this before. Thanks for posting.

I think its a really good overview of Bloch's views. One thing it doesn't deal with is what i think is the main weakness of 'The Principle of Hope'; mainly its 'progressivism'. The idea of the 'not yet conscious' is certainly an important one and one which taps into a key missing aspect of most other versions of psychoanalysis but it also reflects a certain fixation on the future and progress which is typical of Bloch's views.

I think this is part of why (the experience of ww2 being probably more directly significant) for his rejection of Jung and Nietzsche. While nature and by extension human nature has a certain forward pointing tendency it is also conservative and aims for equilibrium/balance/rest. This is often hard for 'the left' to fully incorporate into their vision as there tends to be a fetish for change among 'revolutionaries'. While this is understandable and in most cases either necessary or harmless it does at times I think reflect a failure to fully break with bourgeois ideology. It is capitalism alone of all the human societies that rejects the past and works under the illusion of eternal 'progress'. This idea/praxis of constant change (revolutionizing of the means of production) leads to profound disorientation and alienation and a lack of a sense of firm grounding (it is also a big part of why capitalism has such a fetish for youth) which I think the kind of 'progressivism/changism' reflected in Bloch's work (he does at times go beyond this view) leaves the field open to the conservatives/right wing.

Just wondering if anyone has any thoughts on that.