Plaza, Riot, Commune - Research & Destroy

Plaza, Riot, Commune - Research & Destroy

Deze tekst, geschreven in 2011 door het Research & Destroy collectief, gaat in op de relatie tussen de huidige crisis, de anti-bezuinigingsstrijd, de pleinbezettingsbewegingen, de rellen en de weg uit dit moeras, het perspectief van de opbouw van de ‘beweging van de communes’.

Wij zijn de verlaten generatie, de verraden generatie. Aangespoeld aan de kust van het heden door de storm van 150 jaar mislukte opstand, door het scheepswrak van de arbeidersbeweging, door het instorten van honderden politieke projecten. Maar het zijn niet slechts onze voormalige vrienden die vertrokken zijn. Vandaag de dag vluchten zelfs onze vijanden voor ons, verlaat zelfs het kapitaal ons: geen minimale beloftes meer, geen recht op uitbuiting meer, geen recht meer op de kettingen van de loonslavernij. Verlaten begroeten we deze wereld door haar aan haar lot over te laten.

De mogelijkheid om onze middelen op onze doelen af te stemmen bestaat niet langer, onze acties onderbrengen aan het rationele en praktische is niet langer mogelijk. Het huidige tijdperk van bezuinigingsharnassen betekent dat om de meest magere eisen te kunnen stellen zelfs sociaaldemocraten stenen zullen moeten werpen. Verraden door de democratie, verraden door socialistische technocraten, verraden door het anarchistisch idealisme, verraden door het gortdroge fatalisme van het linkscommunisme. Wij zijn niet de 99%. We zijn godverdomme helemaal geen percentage. We tellen niet eens mee. Als we überhaupt enige macht hebben is dit omdat we de vijanden zijn van alle ‘meerderheden’, de vijanden van het zogenaamde ‘volk’. Zoals het oude liedje gaat, we zijn niks en moeten alles worden.

Ondanks het feit dat het een fundamentele eigenschap van het kapitalisme is dat iedere generatie van haar slachtoffers het verder overleven van het kapitalisme dan een paar decennia belachelijk achtte, is het verschil tussen hen en ons dat in ons geval het gewoonweg waar is. Vandaag de dag kunnen niet eens de hielenlikkers van het kapitaal een overtuigend plaatje schilderen van een toekomst gebaseerd op markten en lonen – alle sciencefiction utopieën van vliegende auto’s en robot bedienden lijken belachelijker dan ooit. Nee, de toekomst rijdt ons slechts tegemoet als een eindeloze verzameling ruines, als totale ineenstorting, als brandend metaal in de woestijn. Het is makkelijker om het einde van het leven op aarde voor te stellen dan een eigen gelukkige oude dag.

Dit is waarom angst over het impliciete étatisme van de anti-bezuinigingsstrijd ongegrond is. Met uitzondering van een paar achterlijke activisten en media ideologen begrijpt iedereen maar al te goed dat de Keynesiaanse kaart lang geleden uitgespeeld is, verspeeld aan oorlogen en bailouts, het slachtoffer van haar eigen monsterlijke ‘succes’. Er komt geen wedergeboorte van de verzorgingsstaat, er komt geen ‘herindustrialisering’ van de samenleving. Zoveel is duidelijk: als de staat gaat uitbreiden, dan breidt ze uit als portofascistische bezuinigingsstaat. Er is ook niet langer sprake van ‘links’ op wat voor zinnige manier dan ook, als kracht die de huidige wereld anders probeert te managen, zogenaamd uit naam van ‘de arbeiders’ of ‘het volk’. Die radicalen die het, moe van de zwakheid van de loyale oppositie, idee hadden het op zich te moeten nemen om ‘links’ te vernietigen komen erachter dat hun hele bestaan gebaseerd is op deze oude, verdwenen vijand. Er is niks over van ‘links’: slechts de gigantische moedeloze menigte van ‘het midden’ met enkele wilde en richtingsloze conflicten aan de randen.

De hopeloosheid van iedere poging om de staat van haar huidige koers af te duwen, het besef dat zelfs een kleine hervorming van het systeem collectief geweld nodig heeft van bijna revolutionaire intensiteit, het besef dat we idioten zouden zijn om zo ver te gaan en dan te stoppen voor de revolutie – dit alles geeft veel anti-bezuinigings conflicten een vreemde wanhoop en intensiteit. Onze hoop is te vinden in deze hopeloosheid zelf, in het feit dat, in de huidige cyclus van strijd, middelen volledig losgekoppeld zijn geraakt van de doelen. Tactieken komen niet langer overeen met hun uitgesproken doeleinden. In Frankrijk, als antwoord op de voorgestelde verhoging van de pensioenleeftijd, barricaderen studenten hun scholen, verwarren rondtrekkende blokkades de politie en wordt stadscentrum na stadscentrum gevuld met rellen. In Groot-Brittannië en Italië trekken conflicten in het hoger onderwijs tienduizenden jongeren aan die geen enkel uitzicht op een universitaire studie hebben, noch enige interesse daarin als het erop aankomt. Alle politieke calculus die probeert ideeën aan tactieken te koppelen, denken aan doen is onmogelijk geworden. Denken we nu echt dat de Franse jeugd zich zulke diepe zorgen maakt wat er met ze gebeurd als ze ooit met pensioen kunnen? Denkt de gemiddelde jongere dat de huidige sociale orde het nog zo lang uithoudt? Nee, ze zijn hier om het tempo op te voeren, om de hele zooi richting de rand te duwen. Omdat het makkelijker is om het einde van de wereld voor te stellen dan met pensioen gaan. Omdat eigenlijk alles beter is dan dit.

*

Voor de neo-Leninistische ‘filosofen’ die hun culten bouwen in de versteende omhulsels van de stervende universiteiten is een dergelijke onmogelijkheid om de middelen op de doelen aan te passen slechts een barrière. Waar is het revolutionaire programma in Egypte, vragen ze zich af, waar is het programma van de Britse of Griekse rellen? Wie zal deze lichamen disciplineren voor hun laatste aanval op de paleizen en forten? Voor zulke denkers kunnen alleen ideeën de doelmatigheid van zulke lichamen garanderen. Alleen een idee – het idee van communisme[1], zoals sommigen zeggen – kan deze lichamen de juiste verbinding tussen middelen en doelen laten maken. Maar communisme is geen idee noch een idealisme – het is de bevrijding van lichamen onder het juk van alle abstracties vandaan. Gelukkig zijn we schichtige, goddeloze en vluchtige mensen. We hebben moeite met luisteren. Voor ons is het communisme materieel of het is niks. Het zal een verzameling onmiddellijke handelingen zijn, onmiddellijke bevredigingen of helemaal niks. Als we discipline en organisatie vinden zal dat voortkomen uit wat we doen, niet uit wat we denken.

Met ‘het idee’ bedoelen de ‘filosofen’ zoiets als ‘de partij’. Ze zijn er op gebrand om zichzelf en hun ideeën te laten gelden, als structuur en sociale vorm. Ze proberen het oude verbond tussen ‘de intelligentsia’ en ‘de arbeidersbeweging’ te hersmeden. Maar er is geen intelligentsia meer en er is zeker geen sprake meer van een arbeidersbeweging. De complete structuur van verplichtingen – christelijk in haar oorsprong – waar de klassieke programmatische partijen op waren gebouwd bestaat niet langer, omdat het kapitaal moraliteit niet langer nodig heeft. Er is handelen voor onszelf; er is handelen met anderen; maar er is geen constant handelen voor anderen, uit verplichting.

*

Onze ongedisciplineerdheid betekent dat onder de politieke ideeën alleen dat ene idee dat, van nature, voorbestemd is altijd een idee te blijven enig terrein kan winnen: de democratie. Van Tunesië tot Egypte, van Spanje tot Griekenland, van Madison tot Wall Street, keer op keer gaan de “pleinbewegingen” gebukt onder het dode gewicht van dit codewoord. Democratie, de naam voor de betovering van mensen door hun eigen beeld, door haar potentie voor eindeloos uitstel. Democratie, een besluitvormingsproces verworden tot politieke zijnsleer, op zo’n manier dat de vorm zelf, de vorm van het besluit, de inhoud an sich geworden is. We besluiten democratisch om democratisch te zijn! Het volk kiest zichzelf!

In het huidige tijdperk – het tijdperk van de bezuinigingsbankschroeven en de werkeloosheidseconomie – vind de ‘radicale democratie’ haar ideale centrum in de grootstedelijke pleinen. Het plein is de materiële belichaming van haar idealen – een lege plek voor een lege vorm. Via het plein gehoorzaamt de ‘radicale democratie’ haar scheppingsmythe, die van de agora, de vergaderplaatsen van het oude Griekenland die tevens dienden als marktplaatsen (zodat de zinnen “Ik winkel” en “Ik spreek in het openbaar” nagenoeg identiek waren). Deze pleinen zijn echter niet de broeierige markten vol van economische en sociale transacties maar schoongeveegde ruimtes, uitgestrekte velden van beton en leegte, misschien met een enkele fontein hier en daar. Dit zijn ruimte die opzij geschoven zijn door de scheiding van het ‘politieke’ van de economie, de markt. Nergens is dit duidelijker dan in de meest recente aflevering van de “pleinbeweging” – Occupy Wall Street – die poogde om, nogal terughoudend, de echte agora, de echte handelsruimte, te bezetten maar eindigde in een klein recreatiepark aan de rand van Wall Street, ingesloten door de politie. Dit is wat de nieuwe wereld bouwen in de huls van de oude vandaag de dag betekent – een openbare vergadering omringd door agenten.

Als er hoop te vinden is in deze manifestaties, ligt die in de vormen van wederzijdse hulp die daar bestaan, de experimenten die mensen ondernemen om in hun eigen behoeften te voorzien. We zien nu al hoe de bezettingen tegen hun zelf opgelegde limieten aangeduwd worden en in conflict met de politie worden geduwd ondanks hun gezworen pacifisme. De pleinbezettingen – met al hun tegenstellingen – zijn slechts een gezicht van de huidige loskoppeling van middelen en doelen. Beter gezegd, zij vertegenwoordigen een situatie waarin middelen niet zozeer worden verdreven als wel worden gesublimeerd, aanwezig als het object van een vage symbolisering op zo’n manier dat de bijeenkomsten een toekomstig moment van opstand zijn gaan symboliseren of prefigureren. Op haar ergst zijn ze logge machines van eindeloos uitstel. Op hun best dwingen ze hun deelnemers om daadwerkelijk dat gene te grijpen waarvan ze geloven dat ze dat slechts mogen begeren.

Hoe ver weg is Egypte, de vermeende start van deze serie gebeurtenissen. Daar was de eerste vergadering, bewust, een daad van symbolisch geweld waarbij iedereen wist dat een confrontatie met de staat en haar geweldsapparaat onvermijdelijk was. En toch bleef ook daar de scheiding van de economie – van de manieren waarop onze behoeften worden vervuld – in de opstand gegraveerd. Met andere woorden, de Egyptische opstand werd niet omgebogen naar de politieke sfeer maar begon daar. En alle andere afleveringen in de zogenaamde ‘pleinbeweging’ herhaalden deze primaire ontwrichting, of ze nu verlamd worden door pacifisme en ‘democratisme’ zoals in Spanje of dat ze nu hun eisen in materiële vorm voorstellen zoals in Griekenland.

Dit brengt de pleinbezettingen in verbintenis met niet alleen de volledige ontwikkeling van het orthodox Marxisme, het Leninisme, het Maoisme, etc. dat de verovering van de staatsmacht voorop en centraal stelt maar ook maar haar schijnbare spiegelbeeld op dit historische moment: de rellen van Athene, Londen en Oakland die de namen van Alexis Grigoropoulos, Mark Duggan en Oscar Grant dragen behandelen de politie en staatsmacht als zowel oorzaak en gevolg, provocatie en object van woede. Hoewel de plunderingen die altijd bij zulke uitbarstingen komen kijken de weg wijzen naar een grondigere onteigening zijn deze rellen, ondanks dat ze de meest onmiddellijke en antagonistische acties lijken te symboliseren, ook gebonden door een soort symbolisatie, de symbolisatie van het negatieve, wat zegt wat het wilt door een lange litanie, in woorden van vuur en gebroken glas, wat ze niet wilt: niet dit, niet dat. We hebben hun limieten reeds gezien, in Griekenland – zelfs het afbranden van alle banken en politiestations was niet genoeg. Zelfs toen traden ze richting een open ruimte, een plein, schoongeveegd door hun eigen onophoudelijke negaties, waar de negatie zelf een limiet was. Maar wat dan? Wat moeten we dan doen? Hoe gaan we door?

Tussen het plein en de rel, tussen de meest zoetsappige bevestiging en de zwartste negatie – is waar we onszelf vinden. Twee paden openbaren zich aan ons: ieder van hen, op haar eigen manier, een afwijking van het brandende hart van de zaak. Aan de ene kant het eindeloze proces van overleg dat uiteindelijk, in haar vernauwing tot een gemeenschappelijke deler, moet arriveren op de enige eis die mogelijk is: een eis voor wat er al is, een eis voor de status quo. Aan de andere kant de begeerte zonder object die niks in de hele wereld vindt dat haar schreeuw om vernietiging beantwoord.

De ene vlam sterft omdat ze haar eigen brandstof blust. De andere omdat ze geen zuurstof kan vinden. In beide gevallen is wat ontbreekt een concrete beweging richting de bevrediging van behoeften zonder loon of markt, geld of dwang. De openbare vergadering wordt echt, verliest haar slechts theatrale karakter, op het moment dat haar discours zich richt op de bevrediging van behoeften, als ze zich richt op het overnemen van huizen en gebouwen, het onteigenen van goederen en middelen. Op dezelfde manier ontdekt de rel dat het daadwerkelijk vernietigen van de ‘commodity’ en de staat betekent dat er een terrein moet worden geschapen dat compleet onbewoonbaar is voor zulke zaken, volledig vijandig ten opzichte van de loonarbeid en overheersing. We doen dit door een situatie te faciliteren waarin er, simpel gezegd, genoeg is van wat we nodig hebben, waar er geen roep voor ‘rantsoenering’ of ‘matiging’ is, geen vereiste om perfect te balanceren wat een persoon gebruikt en de andere maakt.

Dit is de enige manier waarop een opstand kan overleven en de herinvoering van markt, kapitaal en staat (of een andere economisch stelsel gebaseerd op klassen en overheersing) kan afwenden. Op het moment dat we incapabel blijken om in de behoeften van iedereen te voorzien – jong en oud, gezond en ziek, fanatiek en ongedwongen – creëren we een situatie waar het slechts een kwestie van tijd is voordat mensen de terugkeer van de oude tirannie gaan accepteren. De taak die voor ons ligt is vrij simpel en monsterachtig moeilijk: op het moment van crisis en ineenstorting, moeten we manieren die onze behoeftes en begeertes bevredigen instellen die niet op lonen noch op geld, niet op gedwongen arbeid noch op boekhoudkundige beslissing berusten en we moeten dit doen terwijl we onszelf verdedigen tegen iedereen die ons in de weg staat.

Noten van de vertaler:

[1] Met ‘het idee van communisme’ refereert het Research & Destroy collectief aan het boek ‘the idea of communism’ (http://www.versobooks.com/books/513-the-idea-of-communism) en aanverwante trends, waarin een poppenkast van (post-)Leninistische academici zoals ‘closet stalinist’ Slavoj Žižek, voormalig Maoist Alain Badiou, en post-autonomisten Michael Hardt en Antonio Negri wordt opgevoert. Dat het boek zegt een ‘all-star cast of radical intellectual (..), leading political philosophers of the Left’ op te voeren (en dat voor de prijs van maar €20,99!) spreekt boekdelen.