De communistische tendens in de geschiedenis - l'Insecurite Sociale

De communistische tendens in de geschiedenis - l'Insecurite Sociale

Dit essay behandelt de betekenis van het communisme met voorbeelden van Pierre Clastres, Gerrard Winstanley en Moses Hess. Deze tekst werd in de jaren ‘80 geschreven door ‘M.’, een lid van de Franse groep l’Insecurite Sociale.

De communistische tendens in de geschiedenis

Wat zijn, in de verschillende periodes in de geschiedenis van onze soort, de tendensen in menselijk gedrag die zich ontwikkelden in de richting van wat wij het communisme noemen? Om dit te beantwoorden is het misschien eerst nodig om duidelijk te maken wat wij wel en niet verstaan onder het communisme.

Geen politiek programma

Negatief gezien is communisme geen programma bestaande uit een serie maatregelen wat men op concurrerende wijze tegenover andere maatschappelijke programma’s kan zetten en wat men probeert te laten overwinnen door middel van overtuigingskracht of het gebruik van geweld.

Communist zijn kan nooit betekenen om te streven naar het overnemen van de staatsmacht en haar te vervangen door de nieuwe ‘rechtvaardige, eerlijke, redelijke’ macht van de communisten – of diegenen die die naam hanteren – tegenover de onrechtvaardige macht van de bourgeoisie. Wij streven niet naar de triomf van een nieuw programma, naar de triomf van de politiek, omdat de triomf van de politiek en met haar de triomf van de staat al lang en breed gerealiseerd is door de kapitalistische klasse.

Als een communistische revolutie plaatsvindt, zal ze het tegenovergestelde en niet het resultaat zijn van deze tendens die plaatsvindt onder de overheersing van de bourgeoisie. Daarom maken wij, in onze beschrijving van het communisme, geen gebruik van de termen democratie en dictatuur die wij als juridische, legale vormen zien, legale definities die geassocieerd worden met verschillende vormen van staatsmacht die wij niet adequaat zien voor het beschrijven van het communisme. Sterker nog, in de samenlevingen die we gekend hebben diende de dictatuur, net als de democratie, de noodzaak om een bepaalde sociale cohesie te behouden die niet uit zichzelf kon bestaan, of wel door middel van directe dwang (i.e. de dictatuur), ofwel door middel van de idealisering van de vertegenwoordiging wanneer er sprake is van een zekere harmonie tussen de klassen, zoals in de democratie. Deze vormen van dictatoriale of democratische organisaties waren geschikt voor samenlevingen die, door hun eigen ontwikkeling, gebroken hebben met de persoonlijke banden die bestonden tussen groepen en individuen.

Daarmee vergeleken vertegenwoordigd het communisme niet de uitkomst van een van deze tendensen, maar de manifestatie van andere relaties tussen mensen, iets wat ook wel de menselijke gemeenschap wordt genoemd. De communistische revolutie kan daarom niet, vanaf haar aanvang, de oplegging van valse relaties tussen mensen zijn, of dit nu democratisch of dictatoriaal gebeurd, maar ze kan alleen de oprichting zijn van deze menselijke gemeenschap. Geloven dat het noodzakelijk is om, in de opbouw van deze menselijke gemeenschap, een nieuwe denkbeeldige gemeenschap, ter vervanging van degenen die we al kennen, op democratische of dictatoriale wijze op te leggen (zelfs al is dit tijdelijk) zou vanaf het begin deze communistische beweging oprichten op het afbreken van haar eigen dynamiek: de opbouw van nieuwe menselijke relaties.

Geen economie

Als het communisme, voor ons, geen politiek programma kan zijn dan is ze ook geen nieuw type economische organisatie, noch een nieuwe vorm van eigendomsrecht. Sterker nog, het communisme zal geen ‘gemeenschappelijk’ eigendom opleggen, omdat het hele idee van eigendom de monopolisering van het een of andere door een exclusieve groep (ter uitsluiting van een andere) betekend. In het communisme vindt de circulatie van goederen niet plaats via methoden uit de wereld waarin we nu leven (de methoden van de handel, de ruil van goederen of diensten voor geld of andere goederen of diensten).

In een samenleving die niemand uitsluit kan de handel niet bestaan, het kopen en verkopen bestaat niet en daarom bestaat het geld niet. Er kan slechts collectief of individueel gebruik bestaan van wat de gemeenschap produceert. Daarom zou het vervangen van wat we nu kennen, de logica van de handel, gebeuren door de nieuwe logica van het delen en het gift.

In een communistische samenleving werken mensen samen om een bepaalde taak te bereiken, zoals het delen van genot of emotie en antwoorden ze aan de algemene behoeften van de gemeenschap, zonder dat de groep die ze vormen de vorm van een staat aanneemt, en daarmee de overheersing van bepaalde mensen door anderen, of de vorm van een bedrijf dat loonarbeiders inhuurt en haar productie commercialiseert. Als een gevolg hiervan kan men, in zo’n samenleving, niet spreken over economische wetten. Zulke wetten zijn een uitdrukking van bepaalde menselijke relaties die berusten op ongelijkheid en overheersing; ongelijkheid en overheersing die in zichzelf deze wetten rechtvaardigen door hen te presenteren als de onvermijdelijke realiteit of zo oud als de mensheid zelf. Daar tegenover staat dat in een communistische samenleving er sprake is van een bewuste controle van mensen over hun eigen activiteit, zowel via de relaties die tussen hen bestaan en, algemener, via de relaties tussen en hen de rest van de natuur.

Wat wij bedoelen met de term ‘communisme’ is voornamelijk de tendens richting de menselijke gemeenschap die, in de verschillende vormen waarin ze zichzelf heeft uitgedrukt in de geschiedenis, altijd de zoektocht is geweest naar een wereld waar geen sprake is van wetten, eigendom, staat, discriminatie, ongelijkheid of overheersing. Communist zijn betekent dus eerst en vooral erkennen dat de grootste welvaart te vinden is in menselijke relaties en al het andere hier uit voortkomt.
In de geschiedenis

Vertrekkende vanuit deze definitie, wat kunnen we dan zeggen over de tendens naar het communisme in het verleden? Spreken over een communistische tendens in het verleden werpt onmiddellijk een aantal problemen op. Het eerste probleem is de moeite die het soms kost om de taal te begrijpen die deze tendens in het verleden aannam. Tijdens de verschillende vormen van sociale organisatie die de mensheid heeft aangenomen heeft de communistische tendens zich altijd gedefinieerd in het vocabulaire dat correspondeerde met deze verschillende organisatievormen.

In feodale samenlevingen ontwikkelde deze tendens dus een religieuze taal die vandaag de dag niets meer betekent. Op dezelfde manier definiëren we communisme vandaag de dag in termen zoals een stateloze, grenzeloze wereld, een wereld zonder geld, wat vaak neerkomt op zeggen dat communisme geen kapitalisme is.

Als men dus spreekt over communisme in verschillende tijdperken, moet men bewust zijn van het feit dat de definities die we hier aan toe kennen, tot op zekere hoogte, slechts een reflectie zijn van de wereld waarin we zelf leven. Hier steekt een probleem de kop op voor ons, die vandaag de dag in een specifieke vorm van de kapitalistische samenleving leven, in onze pogingen om deze tendens in het verleden te analyseren omdat we, net als iedereen, er naar neigen om over zaken te denken en hen te beschrijven in kapitalistische categorieën. Het is daarom overduidelijk dat er veel acties van mensen in het verleden zijn die we verkeerd begrepen hebben. Dit is bijvoorbeeld het geval met de moeilijkheid van het begrijpen van het idee van het ‘stamhoofd’ in bepaalde primitieve samenlevingen of het idee van het gift, of dit nu in primitieve samenlevingen of latere samenlevingen tot aan het feodalisme was. Deze ideeën van het ‘stamhoofd’ en van het gift hadden een totaal andere betekenis dan vandaag de dag.

Voor de staat

Het is onmogelijk om een compleet beeld te schetsen van de communistische tendens vanaf de oorsprong van de mensheid tot aan vandaag de dag. Ik zal mezelf beperken tot het nemen van slechts drie voorbeelden, uit verschillende periodes in de menselijke geschiedenis, om een beetje te zien wat de constanten en gemeenschappelijke punten zijn die men kan herontdekken in deze verschillende periodes.

De eerste is een voorbeeld uit het werk van Clastres over primitieve samenlevingen, een voorbeeld dat erg interessant is omdat het zijn studie naar deze samenlevingen opsomt:

Quote:
Primitieve samenlevingen zijn daarom unitaire samenlevingen: samenlevingen zonder klassen – geen rijke uitbuiters noch armen – samenlevingen die niet verdeeld zijn in overheersers en overheersten – zonder afgescheiden machtsorganen. We dienen nu dit laatste sociologische aspect van primitieve samenlevingen uiterst serieus te nemen. Betekent de scheiding tussen ‘leiderschap’ en macht dat het vraagstuk van de macht hier niet werd gesteld, dat deze samenlevingen apolitiek waren? Op deze vraag antwoord het evolutionistische denken – en haar minder beknopte variant, het Marxisme (met name in de vorm van Friedrich Engels) – dat dit inderdaad het geval is en dat dit hen tot primitieve samenlevingen maakt, dat wilt zeggen, de eerste vormen van samenlevingen. Ze worden weggezet als het infantiele stadium van de mensheid, de eerste fase van haar evolutie, en daarom incompleet, onafgemaakt, voorbestemd om door te groeien, volwassen te worden en van apolitiek naar politiek te gaan. Het lot van alle samenlevingen is daarmee de staat als orgaan wat het gemeenschappelijke goed kent, uitdrukt en oplegt.

Dat is de traditionele, bijna algemene, visie op primitieve samenlevingen als stateloze samenlevingen. De afwezigheid van de staat wijst op hun incompleetheid, haar embryofase en a-historische positie. Maar is dit werkelijk zo? Het is niet moeilijk om te zien dat zo’n beeld slechts een ideologisch vooroordeel is, vergezeld van een visie van de geschiedenis als de noodzakelijke wandeling van de mensheid door sociale vormen die zichzelf voortbrengen en elkaar mechanisch opvolgen. Maar laten we deze neo-theologische visie op de geschiedenis en haar fanatieke continuïteit afwijzen; primitieve samenlevingen zijn niet langer de laagste trede op de ladder van de geschiedenis, zogenaamd zwanger van alle geschiedenis die nog zou volgen, al reeds vastgelegd in hun kern. Bevrijd van dit onschuldige exotisme kan de antropologie nu eindelijk de politieke studie naar het echte vraagstuk serieus nemen: waarom waren primitieve samenlevingen stateloze samenlevingen?

Als complete, volwassen en niet slechts subpolitieke samenlevingen, hebben primitieve samenlevingen geen staat omdat ze de scheiding van het sociale lichaam in overheersers en overheersten weigerden. De politiek van de ‘barbaar’ is in feite het constante opwerpen van barrières tegenover de verschijning van een afgeschieden machtsorgaan, van het hinderen van het fatale samensmelten van het instituut van het stamhoofd en de uitoefening van de macht. In primitieve samenlevingen is er geen gescheiden machtsorgaan omdat macht niet gescheiden is van de samenleving, omdat het dit is wat de samenleving een geheel laat zijn, met een blik op het behouden van haar unitaire karakter, door het afwenden van de verschijning, in zichzelf, van de ongelijkheid tussen meesters en slaven, tussen stamhoofd en stam.

De macht hebben is haar uitoefenen, haar uitoefenen is diegenen domineren waarop ze uitgeoefend wordt; en het is precies dit wat primitieve samenlevingen niet willen, waarom de stamhoofden machteloos zijn, waarom macht niet afgescheiden is van het sociale lichaam. De afwijzing van ongelijkheid, van de gescheiden macht was een constante aangelegenheid in primitieve samenlevingen. Ze waren zich erg bewust dat het opgeven van deze strijd, het stoppen met het tegengaan van de lust naar macht, de begeerte naar onderwerping en de uitbarsting van de overheersing en slavernij, ze hun vrijheid zouden verliezen.

(Pierre Clastres, Het vraagstuk van de macht in primitieve samenlevingen, Ondervragingen nr. 6, 1976)

Clastres benadrukt een belangrijke eigenschap van deze samenlevingen, namelijk dat zei, of op z’n allerminst een deel van hen, niet alleen samenlevingen waren die de staat verwierpen, maar ook samenlevingen waren die, erg praktisch, zelfs zonder het te weten, streden tegen de vestiging van de staat, die zich actief verzetten tegen de staat.

De kritiek op het geld

Voor het tweede voorbeeld maken we een grote historische sprong. Het is een uittreksel uit ‘De wet van de vrijheid’ (1651), een tekst door Gerrard Winstanley, de centrale theoreticus die deelnam aan de ‘Ware Levellers’, ofwel ‘Diggers’ beweging in het Groot-Brittannië van de 17e eeuw en die waarschijnlijk een van de eerste mensen is die een theoretische uitdrukking geeft aan wat wij zien als communisme:

Quote:
Toen de mensheid begon zichzelf te kopen en te verkopen, toen verloor ze haar onschuld; toen begon de onderdrukking en het ontnemen van elkaars geboorterechte… De volkeren van deze wereld zullen nooit leren om hun zwaarden tot ploegscharen om te smeden, hun speren tot heggenscharen en de oorlog te laten voor wat ze is tot deze bedrieglijke machine van kopen en verkopen samen met de Koninklijke macht op de vuilstort word geworpen.

Dit stukje spreekt vrij helder over de impact van marktrelaties en impliceert communisme als iets wat een breuk is met de sociale relaties van markt en geld.

De laatste tekst is een uittreksel uit de ‘Communistische Catechismus’ (1846) van Moses Hess, waar er een terugkeer is naar het probleem van geld en marktrelaties. In het hoofdstuk dat gaat, in de vorm van een vragenlijst, over geld en slavernij worden de volgende antwoorden gegeven:

Quote:
1. Wat is geld?
Het is de waarde van menselijke activiteit uitgedrukt in getallen, de verkoopprijs van de handel met onze levens.
2. Kan menselijke activiteit uitgedrukt worden in getallen?
Menselijke activiteit, net zo min als de mens zelf, heeft geen prijs: omdat de menselijke activiteit de onschatbare waarde van het menselijk leven zelf is, waar geen enkele geldsom voor kan compenseren.
3. Wat is de persoon die verkocht kan worden voor geld of die zichzelf voor geld verkoopt?
De persoon die verkocht kan worden voor geld is een slaaf en de persoon die zichzelf voor geld verkoopt heeft de ziel van een slaaf.
4. Wat kunnen we afleiden uit het bestaan van geld?
Uit het bestaan hiervan kunnen de slavernij afleiden, omdat geld het teken bij uitstek is van de menselijke slavernij, de uitdrukking van de mens in cijfers.
5. Hoe lang zullen mensen slaven blijven en hun capaciteiten voor geld verkopen?
Dit zal het geval blijven totdat de samenleving iedere persoon voorziet van de middelen die noodzakelijk zijn voor het menselijk leven en handelen, zodat het individu niet beperkt is tot het verkrijgen hiervan door het verkopen van zijn activiteit om daarmee de activiteit van anderen te kopen. Deze mensenhandel, deze wederkerige uitbuiting, deze industrie die mens privaat noemt, kan niet afgeschaft worden via wetgeving, ze kan alleen afgeschaft worden door het vestigen van een gemeenschappelijke samenleving die aan iedereen de middelen bied om zichzelf te ontwikkelen en haar menselijke capaciteiten te ontplooien.
6. Is het bestaan van geld in zo’n samenleving mogelijk of denkbaar?
Niet meer dan het bestaan van de menselijke knechting. Omdat mensen niet langer verplicht zijn om hun capaciteiten aan anderen te verkopen, hoeven ze hun waarde niet langer te berekenen in cijfers en hoeven ze niet langer accountant van hun eigen leven te spelen. In plaats van menselijke waarde uitgedrukt in cijfers heeft men de ware, onbetaalbare menselijke waarde – in plaats van woeker het opbloeien van de menselijke capaciteiten en de geneugten van het leven – in plaats van de moordende concurrentie een harmonieuze samenwerking en nobele emulatie – in plaats van boekhoudadministratie, het hoofd, hart en de handen van vrije en actieve wezens

Dit is het laatste voorbeeld van deze uitdrukking van communisme die we in dit essay geven. Uiteraard zijn er nog vele anderen, maar in alle voorbeelden die we zouden kunnen geven zijn er zekere constanten die de kop op steken. De eerste hiervan correspondeert met de definitie van communisme zoals we die aan het begin gaven, namelijk communisme niet als politiek, noch als economie, maar als mensheid en sociale relaties tussen mensen; met een nadruk op het egalitaire thema. Uiteraard ziet men dat hoe dichter men komt bij samenlevingen gebaseerd op marktrelaties, hoe meer de kritiek zich richt op de rol die het geld speelt en alle relaties van het kopen en verkopen van goederen of mensen.

Het belang vandaag de dag

Wat voor belang heeft kennis over de communistische tendens in het verleden vandaag de dag?
Ten eerste veegt ze de vloer aan met alle praatjes over de menselijke aard als een soort eeuwige vaste vorm van menselijk gedrag, het idee dat ‘de zaken altijd zo zijn geweest’, etc., etc.

Ten tweede helpt ze ons beter begrijpen wat onze eigen aspiraties zijn. Omdat net zoals de aspiraties uit het verleden vaak slechts gedeeltelijk, zelfs onhandig, waren zijn onze eigen aspiraties vandaag de dag ook vaak gedeeltelijk en onhandig. Het gemeenschappelijk maken van al deze aspiratie in de menselijke geschiedenis is ook het middel om het essentiële te ontdekken, ongeacht het sociale framework waarin men zichzelf op het een of andere moment in de geschiedenis bevind.

Ten derde helpt het ons misschien onszelf te ontwarren uit de situatie vandaag de dag. Omdat met deze verschillende aspiraties tot communisme verschillende pogingen tot strijd hebben gecorrespondeerd. Men kent deze pogingen, men ziet wat ze hebben gebracht, wat hun beperkingen zijn geweest. Dat kan ons vandaag de dag misschien helpen in het strijden voor onze eigen aspiraties en het bestrijden van de specifieke vormen die vandaag de dag aangenomen worden door alles wat zich opwerpt tegen het communisme.

Posted By

CercleNoir
Apr 23 2013 20:08

Tags

Share

Attached files