De opkomst van het (non-)subject - Blaumachen

De opkomst van het (non-)subject - Blaumachen

De volgende tekst van de Griekse libertair communistische groep Blaumachen gaat in op de gebeurtenissen van 12 februari 2012, toen delen van de ‘indignados’ beweging en de confrontationele praktijken van opstandige precaire proletariërs elkaar ontmoetten in het centrum van Athene, en hoe deze ontmoeting een glimp van de toekomst laat zien.

‘Een spook waart door Europa – het spook van de gemaskerde relschopper. Alle machten van het oude Europa zijn een heilig verbond aangegaan om deze geest uit te drijven: De Britse premier David Cameron en de Algemeen Secretaris Aleka Papariga(a), de Italiaanse secretaris van buitenlandse zaken Roberto Maroni, Adonis(b) en Takis Fotopoulos, de Italiaanse COBAS en Duitse politieagenten.’

Zondag 12 februari was een van die historische momenten waarop de tegenstellingen van een kapitalistische samenleving samenkomen in tijd en ruimte, explosief los breken en een nieuwe realiteit produceren. De klassenstrijd vernieuwt haar dynamiek en deze nieuwe dynamiek wordt haar nieuwe interne limiet dat ze zal moeten overstijgen. Wat er toe doet is niet de gebeurtenis zelf (geen enkele op zichzelf staande gebeurtenis is van doorslaggevend belang als het op revolutie aankomt) maar haar rol in het historische proces van de opkomst van het (non-)subject in de huidige samenloop van omstandigheden.

Iedereen verwachtte dat zondag zou komen, in tegenstelling tot december 2008. In de afgelopen maanden wachtte heel Europa op een sociale explosie adequaat voor de Griekse situatie. Ze werd beschouwd als de vertelling van een verwachtte dood die, na een aantal politieke manoeuvres, door de media werd aangekondigd voor zondag 12 februari (met perfecte historische ironie)[1] en bestempeld werd als de ‘Stemming over het tweede memorandum’. Niemand deed iets om het tegen te houden, niemand kon iets doen, ongeacht hoe graag ze dit misschien wilden, zoals een artikel van een nieuwe ‘bittere vriend’ van de hedendaagse Gavroches[2] laat zien. Deze explosie had de eigenschappen van de transitiefase waarin we ons nu bevinden, het ‘tijdperk van de rel’, en haar inhoud was het resultaat van de impasse wie we vandaag de dag zien door de structurering van het kapitaal op wereldniveau, terwijl ze haar tegelijkertijd versterkt (Griekenland is hiermee een gecondenseerde uitdrukking van de scherpe dringendheid van deze impasse).

Iedere belangrijke gebeurtenis in de klassenstrijd is ondergedompeld in de volledigheid van de historisch bepaalde condities van iedere kapitalistische maatschappij in het heden en verschijnt altijd in een specifieke vorm, gefetisjeerd en meervoudig bemiddeld[3]. Momenteel neemt dit conflict in Griekenland, grotendeels vanwege haar vrij significante recente politieke geschiedenis, de vorm aan van een politiek conflict (in compleet contrast met augustus 2011 in Londen, bijvoorbeeld, omdat het tijdperk van de rel niet anders kan dan concreet worden in de specifieke lokale en historische omstandigheden van iedere sociale vorm). De aankondiging van de komende sociale explosie (of eerder de eerste in een kettingexplosie) door de staat was een politieke aankondiging en was daarmee ook haar integratie, als ‘noodzakelijke explosie’, in de reproductie van de kapitalistische maatschappij. Dit is een disciplinaire, repressieve integratie in de context van een ‘uitzonderingstoestand’. Ze is integratie door uitsluiting. Vervolgens was de staat, na de ‘terugkeer naar de normaliteit’ en haar overwinning, genoodzaakt om bepaalde praktijken van de ‘gemaskerde demonstranten’ te criminaliseren om tijdelijk aan de onvermijdelijke consequenties van de gebeurtenissen te ontsnappen. Het discours van de staat is totaliserend, ze verbied iedere andere mening: “Niemand kan aan de kant van de ‘gemaskerde relschoppers’ staan (of zeggen dat ze aan die kant staan), laat staan toegeven dat ze een van hen zijn en openlijk praten over de gebeurtenissen van afgelopen zondag.”

‘Verzet tegen het memorandum’, zoals de situatie beleefd genoemd werd, kon niet hebben plaatsgevonden zonder het zichtbaar woren van het huidige limiet van vakbondsdenken. De 48-urige algemene staking was inderdaad erg groots, omdat ze in al haar glorie de dood van de arbeidersbeweging liet zien: Niemand kon het wat schelen, zelfs niet diegenen die een deel van de meerwaarde (echte meerwaarde, kapitalistische winst) ontvingen via de oplichterij wiens (tot nu toe formeel erkende) bijtaak het is om af en toe een algemene staking aan te kondigen. Hoewel tertiaire vakbondsleiders nog steeds exclusief de sociale legitimiteit hebben om algemene stakingen af te kondigen, zijn ze nergens te bekennen. Op het hart gedrukt dat het vakbondsdenken iets uit het verleden is, zijn ze nu op zoek naar een nieuwe onderneming (een mogelijk winstgevende, maar risicovolle, investeringsmogelijkheid zou het bieden van bescherming tegen demonstraties zijn, gegeven dat recent voorgestelde wetswijzigingen organisatoren aansprakelijk stellen voor de schade). Dat de arbeidersbeweging niet langer gezien kan worden tussen de vormen en praktijken van een conflict waar het bestaan van een basisloon zelf op het spel staat, geeft aan hoe ver de looneis al uit de kapitalistische reproductie gesloten is. Tegelijkertijd is dit officieel afwezige arbeidskarakter van de proletarische beweging belangrijk voor de samenkomst van de impasse van de eisenstrijd met het komende proces van de afschaffing van de kapitalistische maatschappij. Het is een conflictueuze ontmoeting, een historisch proces.

Op zondag was de menigte gigantisch met een gemengde klassensamenstelling onder zowel de ‘gemaskerde relschoppers’ als onder andere demonstranten. Dit kwam naar voren in de brede deelname aan confrontaties met de politie en hun bijna universele acceptatie. Geen enkele persoon (zelfs niet hun vakbonden) was die avond op het plein te bekennen die het opnam voor de politie. Er waren dit maal geen ‘ordehandhavers’ van de beweging, zoals afgelopen zomer; De enige persoon die hen verdedigde was de vertegenwoordiger van de ‘Partij van de Orde’, de wanna-be premier[4]. De politie, over het algemeen genomen, vormt altijd de kapitalistische klasse in gevechtshouding tegenover het proletariaat. In deze specifieke samenloop is ze echter de materiële uitdrukking van een specifieke strategie van het kapitaal voor de Griekse samenleving: om de tweede fase van de herstructurering op te leggen moet de Griekse staat haar autonomie verliezen, ze moet nu organisch integreren binnen een bredere coalitie (EU) en naar beneden klimmen in de interne hiërarchie, met alle gevolgen van dien voor de kapitalistische competitie en het lot van de kleinburgerij. De aanvallen op de politie zijn uiteraard een noodzakelijke breuk die het limiet van de ‘dialoog met de Staat’ en de onderhandelingen over de prijs van de arbeidskracht of andere ‘rechten’ overstijgt. Op het huidige moment kan ze echter ook een uitdrukking zijn van, onder andere, een conflict tussen de kleinburgerij en de staat die hen de grond in drijft. Zoals we duidelijk zagen in Egypte in 2011 betekent het aanvallen van de repressieve krachten van de staat niet meteen het in twijfel trekken van de meest fundamentele kapitalistische ‘gemeenschap’, de natie[5] of haar echte goden: geld en eigendom. Dit is waarom veel voormalige en nieuwe ‘verontwaardigden’ deelnamen aan de conflicten en in veel gevallen hun strijdlustige praktijken vergezelden met hun respect voor ‘eigendom’ en de politie soms zelfs ‘verraders’, ‘Duitse bewakers’ of ‘Turken’ noemden die ‘aan hun kant zouden moeten staan en niet tegenover hen’. Zelfs midden in de confrontaties, en vooral vanwege de tot nu toe ongekende hoeveelheid deelnemers, kon deze zondag niet anders dan een sterk ‘nationaal’ en ‘populistisch’ element bevatten als onvermijdelijk product van de ‘strijd tegen het memorandum’.

Naast de gemengde klassedeelname die nodig was voor een massale confrontatie met de politie en de steun die deze confrontatie ontving, was een belangrijk element van zondag (waarover de staat en de zogenaamde ‘verdedigers van cultuur’[6] flipten) het plunderen en in brand steken van winkels en andere gebouwen. Na massaal plaats te hebben gevonden in december 2008 was deze praktijk nu terug, na een stop als gevolg van het Marfin incident[7] in mei 2010, omdat de klassenstrijd een kettingreactie is die haar eigen dynamiek vormt. Het in brand steken van gebouwen is ook het resultaat van de specifieke politieke vorm die de klassenstrijd aanneemt in Griekenland. Aan de ene kant moest de politie het parlement agressief beschermen en de centrale massa demonstranten de zijstraten induwen; aan de andere kant staat het gewicht van de politieke geschiedenis de Griekse staat niet toe om de repressie nog verder op te voeren (banken en tanks) zelfs nu de noodtoestand zo serieus is. Tijdens de periode van geherstructureerd kapitalisme (die in Griekenland rond 1996 begint) was de transformatie van de politie in een bezettingsleger in de stedelijke gebieden het element dat de bourgeois staat toestond democratisch te blijven terwijl ze tegelijkertijd de actieve delen van het proletariaat de kop in drukte. Tijdens het eerste decennium van de 21e eeuw werden traditionele conflicten met de politie onmogelijk zodat de politie niet meer teruggeslagen kon worden door dynamische minderheden van straatvechters. Als gevolg hiervan, tijdens de door de politie afgeweerde studentenbeweging van 2006-07, richtten jonge precaire proletariërs hun woede op de gebouwen van Athene en tegen 2008 realiseerde iedere ondernemer zich dat hij de veiligheidsuitgaven zou moeten verhogen om zich te verdedigen tegen aanvallen van de ‘gevaarlijke klassen’. In het begin van de EU-IMF memorandum periode resulteerde de ontmoeting van deze praktijken met een van de laatste stuiptrekkingen van een soort van vakbondsbeweging in het Marfin incident. Sociaal geweld werd gemarginaliseerd en onderdrukt door alle politieke formaties voor een jaar. Tijdens de pleinbezettingsbeweging, met haar gemengde klassenkarakter, stak het vraagstuk van geweld echter wederom de kop op als een interne tegenstelling van de beweging toen een nieuwe ronde van bezuinigingen nog harder bleek te zijn, en omringden ‘relpraktijken’ de pleinen met als hoogtepunt 28-29 juni 2011. Het werd toen duidelijk dat steeds grotere delen van de bevolking betrokken begonnen te raken bij confrontaties met de politie.

Het deel van het proletariaat dat gebouwen in brand steekt en plundert is een product van deze neoliberale periode en voornamelijk van de recente periode die tot de crisis leidde. Al diegenen die spraken over incidenten die alleen de sociale marginalen van Frankrijk aangingen in november 2005, van ‘tuig dat Parijsse studentendemonstraties aanviel’ in maart 2006, van een ‘metropolitische opstand, zo een die zo nu en dan ontploft als vuurwerk terwijl wat er echt toe doet de arbeidersbeweging is’ in december 2008, zij vonden het maar al te moeilijk om uit te leggen wat er gebeurde toen Londen ontplofte in augustus 2011. Dit deel van het proletariaat kan het productieproces niet van binnenuit stopen (ten minste, nog niet) en handelt dus op het niveau van de circulatie van goederen en diensten. Het opkomende (non-)subject is tegelijkertijd subject en non-subject, vanwege haar historisch bepaalde relatie tussen integratie en uitsluiting uit het proces van de waardeproductie. Cruciaal is niet de kwestie van de productie van een kwantitatieve toename van het lumpenproletariaat, maar die van een toenemende lumpenisering van het proletariaat – een lumpenisering die niet extern lijkt in relatie tot de loonarbeid maar als haar bepalende element. Precariteit, het constante ‘in-en-uit’, produceert een (non-)subject van de (niet-)uitgestotenen, omdat insluiting meer en meer door middel van uitsluiting gebeurt, vooral voor diegenen die jong zijn. Het is een dynamiek, een constant hernieuwde beweging. Wij verwijzen niet slechts naar de radicale uitsluiting uit de arbeidsmarkt, maar voornamelijk naar de uitsluiting uit wat gezien wordt als ‘normaal’ werk, een ‘normaal’ loon, een ‘normaal’ leven. In een omgeving die een overschotsbevolking creëert en op geweldadige wijze de historische bepaalde waarde van de arbeidskracht aanvalt, verliest het geanticipeerde ‘subject’ alle grond onder de voeten. Er is geen ‘subject’ zonder een duidelijk bepaalde ‘objectiviteit’ die haar het leven van een subject laat leiden. In de crisis van het geherstructureerde kapitalisme raakt de grond (ankering in de loonrelatie) samen met de zuurstof verloren (de mogelijkheid om betere levensomstandigheden te eisen). Het opkomende (non-)subject verschijnt tegelijkertijd als subject zonder objectiviteit en als condensering van objectiviteit in de vorm van haar oplossing. Diegenen die al gevangen zijn in het precariteits-uitsluitings continuüm vielen een beweging binnen die nog steeds ‘normale’ werkgelegenheid en een ‘normaal’ loon eist; en de invasie van het (non-)subject was succesvol, omdat de beweging al binnengevallen was door het continue bombardement van het kapitaal op de ‘normale’ werkgelegenheid en het ‘normale’ loon. Deze hele situatie produceert destructieve praktijken als breuk binnen de beweging van het proletariaat en dwingt het kapitaal om het repressieve aspect van haar reproductie als relatie te intensifiëren en om te proberen het niveau van de uitbuiting meer en steeds gewelddadiger op te voeren.

Met de praktijken van zondag worden deze specifieke delen van het proletariaat, binnen de reproductie van de kapitalistische maatschappij, een verzwarende factor voor de crisis. De rol van het (non-)subject reflecteert de revolutie zoals geproduceerd in deze strijdcyclus, die de opheffing van alle bemiddelingen door ‘waarde’ is, namelijk alle huidige sociale relaties, en niet de ‘machtsovername door de arbeiders’. De horizon van de revolutie van deze periode is niet het revolutionaire programma dat de komst van het ‘subject’ dat een centrale rol gaat spelen afwacht. Productieve arbeiders, ondanks hun speciale rol, worden in deze strijdcyclus niet geproduceerd als apart revolutionair subject dat het transformatieproces van de kapitalistische samenleving in een ‘arbeidssamenleving’ zal leiden; de centrale zorg van de revolutie zal niet het ‘beheer van de productie’ zijn. In de toekomst zullen de destructieve praktijken die vandaag opkomen hun limiet vinden in hun eigen reproductie en zal het niet langer mogelijk zijn om zich alleen te beperken tot de vernietiging van constant kapitaal als een ‘verlies’ of als tijdelijke sabotage. Om het leven in de strijd door te zetten, zullen de praktijken getransformeerd worden, gedwongen worden om het bestaan van de productiemiddelen als middelen van de productie van ‘waarde’ in twijfel te trekken. Deze in twijfeltrekking zal geen monolithisch proces richting een zogenaamde ‘overwinning’ zijn maar zal alle conflicten omvatten die, als breuklijnen, de opheffing van het onderscheid tussen productie en reproductie produceren, dat wil zeggen: de opheffing van de waarde en met haar de opheffing van alle sociale relaties van het kapitaal. Voor het moment wordt het (non-)subject binnen de crisis van het geherstructureerde kapitalisme een actieve kracht. Ze keert continue terug en haar praktijken neigen er naar om antagonistisch samen te bestaan met de revindicatieve praktijken, terwijl de revindicatieve praktijken er naar neigen om de relpraktijken na te doen, wat hen onvermijdelijk zal aantrekken omdat de ‘sociale dialoog’ is afgeschaft.

In september 2011 schreven we over dat moment:

Quote:
Wat tijdens toekomstige gebeurtenissen belangrijk zal zijn in termen van crisis en intensifiëren van de klassenstrijd, is het ontluiken van de relatie tussen het soort praktijken dat we in het Verenigd Koninkrijk zagen [Augustus 2011] en die van de ‘indignados’. Deze relatie wordt voornamelijk belangrijk vanwege de fluiditeit tussen de twee zich vormende subecten (werkeloosheid heeft zich genesteld in de kern van de loonrelatie). De aftekening van een nieuw limiet (de politie, klassenbehoren als externe beperking) leid tot de nieuwe formatie die we hier proberen aan te geven met de terminologie ‘rellen’. ‘Rellen’ omringen de bewegingen van de ‘indignados’, ze dringen daar binnen en nestelen zich daar uiteindelijk en produceren breuken tussen de praktijken van die bewegingen (de eerste manifestatie hiervan was zichtbaar op 28-29 Juni in Griekenland). De dialectiek van de breuk is koortsachtig aan het werk…

Zondag zagen we een overstijging hiervan, in de zin dat deze praktijken nu samengekomen zijn in de actie. De ontmoeting van deze praktijken is het resultaat van de dynamiek geproduceerd door de kruisbestuiving tussen de ‘indignados’, de ‘geproletarianiseerde Petit-bourgeoisie’, de ambtenaren, de jongeren, de precairen/werkelozen. De dialectische beweging van deze praktijken is reeds onderweg. Deze dialectiek zal zich echter niet in een vacuum ontwikkelen; ze is ook ondergedompeld in de totale dynamiek van de klassenstrijd:

Quote:
Het 400-euro loon is niet gerelateerd aan het snijden in de farmaceutische winsten of vanwege de bezuinigingen op de publieke sector, of vanwege de pensioenmaatregelen of het openen van gesloten beroepen of wat dan ook dat de vakbondslui en bepaalde arbeiders tot bezettingen, demonstraties en langdurige stakingen drijft. Wanneer al het bovenstaande het soort limiet heeft bereikt wat zei stellen, wat kunnen diegenen die geen hoop op overleven hebben, dan nog doen? De jongeren in de achterbuurten die zich vaak ophouden in sportscholen, die het eigendom zijn van belastingontduikende scheepsmagnaten, haten het centrum van Athene en haar zogenaamde mooie lichten. De jonge werkelozen van de hoofdstad zijn wanhopig en bereid om zich te verzetten tegen hun leprapositie aan de rand van de maatschappij. Wij praten tegen hen over solidariteit. Gelul! Niemand staat klaar om ook maar het kleinste offer te brengen [..] zodat deze twintigers een paar euro’s meer kunnen krijgen.[8]

Deze praktijken behoren tot de fluide en continu veranderende subjecten die gevormd worden door de klassenstrijd van vandaag de dag. In de context van iedere crisis waar gemaakte winst niet genoeg is om leven te blazen in de immense massa van voorbije gecrystalliseerde arbeid, fragmenteert het proletariaat meer en meer naarmate ze harder wordt uitgeperst. In de huidige situatie, echter, wiens kern de uittocht van de eisen-strijd uit de reproductie van het kapitaal bevat (een dynamiek die een integraal onderdeel van de hele voorgaande periode was) wordt de dynamiek van de crisis nu getransformeerd in de dynamiek van de crisis van de loonrelatie zelf.

Nu de tweede fase van de herstructurering wordt geïmplementeerd en informele arbeid de nieuwe tendens binnen de blinde kracht van het kapitaal wordt, lijkt het niet erg makkelijk voor het kapitaal om de voor-reproductie-noodzakelijke kwalitatieve distinctie tussen de ‘integreerbare’ delen van het proletariaat en haar ‘overschotsbevolking’ te beheren. Dit onderscheid, het rangschikken en administreren van de arbeidskracht, is een structureel element van iedere periode van het kapitaal, hoewel vandaag de dag de cruciale elementen zijn dat, ten eerste, het uitgesloten deel groter neigt te worden en een tijd voorspelt waarin ze een significant deel van de bevolking zal zijn en, ten tweede, het onderscheid tussen insluiting en uitsluiting nu geheel willekeurig aan het worden is.

Iedere voorspelling is gevaarlijk, omdat de condensering van historische tijd een element van onvoorspelbaarheid bevat en de schepping van meerdere breuken. De gewichtige draai richting het ‘nationale vraagstuk’ dat als noodzakelijk voor de reproductie van de huidige structuur van het kapitaal wordt gesteld, werpt de mogelijkheid van een linkse of fascistoïde ‘nationale’ contra-revolutie op, die uiteraard niet de stabiliteit (nationaal-socialistische integratie in de reproductie van het kapitaal binnen de grenzen van denationaal-socialistische formatie) van het fascisme van het verleden kan bieden. Dit kan geproduceerd worden wanneer nodig, als het moment van het laatste middel komt vanuit het oogpunt van het kapitaal, dat gedwongen is om te functioneren onder een ‘politieke risico-economie’. De overname van relpraktijken en de continu gereproduceerde oorlogstoestand waarin het proletariaat gedwongen wordt om überhaupt eisen te maken, samen met de enorme druk op de werkende en werkeloze bevolking, zullen allemaal een rol spelen richting het overnemen van de praktijken van het ‘(non-)subject’ van de uitgeslotenen. Het enige wat zeker is, is dat de belangrijke gebeurtenis van Zondag slechts een in een hele reeks is, waarvan de weersvoorspelling laat zien dat we er meer van kunnen verwachten en ze de nachten helder zal houden.

Noten van de vertaler:

(a) De algemeen secretaris van de Griekse communistische partij KKE

(b) Parlementslid van de extreem-rechtse partij LAOS, nu minister van maritieme handel in de Papadimos coalitie.

Referenties:

[1] 12 Februari is de herdenking van het pact van Varkiza wat het einde van de burgeroorlog in 1945 betekende. De Communistische partij tekende en dwong de communistische guerrilla’s hun wapens op te geven, iets wat leidde tot hun daarop volgende massamoord door het staatsleger.

[2] De bekende linkse politicus, Alekos Alavanos, schreef: ‘zo lang als de linkse krachten vervreemd blijven van de jongere generatie, zo lang als ‘omverwerpen’ een vermoeid stereotype blijft en zich niet vertaald in een revolutionair plan en politiek conflict, dan zullen deze fenomenen steeds vaker voorkomen en diffuser worden. Als Gavroche uit Les Miserables gisterenavond op Syntagma was, zou hij niet in de gesloten blokken van de partijjeugd marcheren maar banken en bioscopen in brand zetten met zijn vrienden.

[3] Zie ook de tekst: ‘Zonder jou draait geen tandwiel…’, waar we ingaan op de politieke vorm van het conflict tussen de praktijken van verschillende secties van het proletariaat zoals dat tot uitdrukking komt in Griekenland.

[4] De president van het neoliberale-conservatieve Nieuwe Democratie, Antonis Samaras, stelde de volgende dag: ‘Dat tuig moet weten dat, als de tijd rijp is, ik hun maskers afruk.’

[5] De natie als concept registreert de tegenstrijdige klasseneenheid van iedere gegeven kapitalistische samenleving. Via haar ideologische apparaten transformeert de staat de klassenbelangen van het kapitaal en maakt ze hen ideologisch legitiem door hen te presenteren en in beweging te zetten als ‘nationale belangen’. Staat, natie en kapitaal zijn facetten van een enkele klassenmacht: kapitalisme.

[6] Het in brand steken van Attikon cinema, een van de historische gebouwen van Athene, maakte hen woedend.

[7] Toen de Marfin bank met brandbommen werd bestookt door rellende demonstranten, stierven drie medewerkers die op die dag van algemene staking gedwongen warden achter gesloten en geblindeerde ruiten te werken.

[8] Cinema Inferno, door A. Psarra

Posted By

CercleNoir
Feb 9 2014 19:32

Tags

Share

Attached files