Tegen arbeid, tegen kapitaal - een interview met Robert Kurz

Robert Kurz

“Een kritiek op het kapitalisme vanuit het standpunt van de arbeid is een logische onmogelijkheid, omdat je het kapitalisme niet vanuit het oogpunt van zijn eigen substantie kan bekritiseren.”

In dit interview uit 2010 praat journalist/filosoof Robert Kurz over de vragen die hij in zijn werk stelt: de dynamiek van economische crisis, hoe het kapitalisme in de loop van de geschiedenis zijn eigen substantie steeds verder uitholt en de crisistheorie van Marx. Hij schetst wat de actuele inhoud zou zijn van een ecologisch houdbare maatschappij op basis van “bewuste maatschappelijke planning”, in tegenstelling tot de “planning van de waarde” die in het Oostblok als socialisme gold.

Wat onderscheidt de huidige crisis van alle voorgaande crises?

Het kapitalisme is niet de eeuwige wederkeer van hetzelfde, het is een dynamisch historisch proces. Elke grote crisis voltrekt zich op een hoger niveau van accumulatie en productiviteit dan de eerdere. De vraag of de crisis al dan niet beheersbaar is, wordt elke keer op een nieuwe manier gesteld. De mechanismen die bij eerdere crises tot herstel geleid hebben, zijn niet meer bruikbaar. De crises van de 19e eeuw kwam men te boven omdat het kapitalisme zich nog niet over het hele terrein van de maatschappelijke reproductie had uitgespreid. Er bestond nog een interne ruimte waar industriële ontwikkeling mogelijk was. De wereldeconomische crisis van de jaren 1930 was een structurele breuk op een veel hoger niveau van industrialisatie. Deze werd overwonnen dankzij de nieuwe Fordistische bedrijfstakken en door Keynesiaanse regulering, met de oorlogseconomie van de Tweede Wereldoorlog als prototype. Toen in de jaren zeventig de door Fordisme gekenmerkte accumulatie zijn grenzen bereikte, liep het Keynesianisme uit in een met staatsschuld gefinancierd inflationair beleid. De zogenaamde neoliberale revolutie heeft het probleem daarentegen alleen maar van de staatsschuld naar de financiële markten overgeheveld. De achtergrond ervan was een nieuw structureel breukvlak in de kapitalistische ontwikkeling, gemarkeerd door de derde industriële revolutie van de micro-elektronica. Toen dit kwalitatief andere niveau van productiviteit bereikt was, bleek het onmogelijk om nog weer een nieuw terrein van reële accumulatie aan te boren. Daarom ontstond er over de loop van ruim twee decennia, op basis van schuld en substantieloze financiële bubbels, een mondiale economische tekortenconjunctuur zonder draagkracht voor de langere termijn. Het hele neoliberale tijdperk van deregulering ging gepaard met een historisch ongekende reeks financiële crises en schuldencrises. Zolang deze crises beperkt bleven tot bepaalde wereldregio’s of bedrijfstakken, konden ze binnen de perken gehouden worden door een geldstroom vanuit de centrale banken. Dit heeft daarentegen slechts de weg bereid voor een culminatie van het proces van de crisis. Sinds de herfst van 2008 heeft de crisis van de derde industriële revolutie een mondiale dimensie gekregen. Het barsten van financiële bubbels brengt nu het ontbreken van werkelijke accumulatie aan het licht. Maar wat het nieuwe crisis-Keynesianisme doet, is ook alleen maar het terugschuiven van het probleem van de financiële markten naar het overheidskrediet, al is het op een veel grotere schaal dan in de jaren 1970. De staat is nu al even onmachtig als toen om het gebrek aan werkelijke accumulatie duurzaam te blijven compenseren. De crisis van de financiële markten wordt vervangen door de crisis van de staatsfinanciën; Griekenland is maar het puntje van de ijsberg, om een recent voorbeeld te noemen. Het noodgedwongen, fantasieloze terugschuiven van het probleem naar de staat laat zien dat er momenteel, bij het bereikte niveau van de productiviteit, geen nieuwe mechanismen in zicht zijn die de crisis op kunnen lossen.

Het kapitalisme loopt op zijn einde, stel je vast. Worden we voor het eerst in de geschiedenis voor de mogelijkheid gesteld om het kapitalisme te overstijgen? Was het noodzakelijk dat het kapitalisme zijn interne tegenstrijdigheden tot dit punt ontwikkelde voordat deze mogelijkheid ontstond, en eerder niet?

De blinde dynamiek van het kapitalisme voltrekt zich volgens zijn eigen inherente wetmatigheden. Maar dit proces is alleen maar ‘noodzakelijk’ en tot op zekere hoogte bepaald zolang de basiscategorieën en criteria van deze historisch specifieke productie- en levenswijze niet praktisch betwist worden. Door adequaat ingrijpen had het kapitalisme in principe in elke fase van haar ontwikkeling onderbroken konden worden. In dat geval had de sociale vorm van de productie een andere gedaante gekregen, waarover we geen uitspraken kunnen doen omdat het niet zo gelopen is. Het is geen kwestie van objectieve noodzakelijkheid maar van kritisch bewustzijn. Noch de opstanden van de 18e en de 19e eeuw, noch de oude arbeidersbeweging, noch zelfs de nieuwe sociale bewegingen van de laatste decennia zijn erin geslaagd om een dergelijk bewustzijn voort te brengen. In tegendeel, de kapitalistische vormen van abstracte arbeid, de vermeerdering van de waarde en de moderne staat zijn alleen maar sterker geïnternaliseerd. Dat is alleen maar wat feitelijk het geval is. Met andere woorden, het had niet zo ‘hoeven zijn’ dat het kapitalisme zijn interne tegenstellingen had ontwikkeld tot waar die vandaag zijn aanbeland, maar het is desondanks gebeurd. We staan nu dus voor de taak om de kritiek van kapitalistische vormen en het programma om ze te overstijgen te herformuleren, op een manier die past bij het actuele niveau van deze tegenstellingen. Dat is simpelweg de historische situatie waarin we ons bevinden, en het is zinloos om de verloren veldslagen van het verleden te bewenen. Ook als het kapitalisme objectief gesproken tegen zijn absolute historische grenzen aanloopt, is het toch mogelijk dat emancipatie uitblijft doordat een adequaat kritisch bewustzijn ontbreekt. Het resultaat zou dan niet een nieuwe lente voor accumulatie zijn, maar, zoals Marx zei, een eventueel gezamenlijk afglijden in barbarij.

Volgens de kritiek van waarde (de theorie van Marx) verloopt het verband tussen de waarde en de prijs van producten via een eindeloze reeks tussenstappen. Dit verband is uiterst flexibel. Hoe kun je dan stellen dat het kapitaal zijn inherente limiet bereikt heeft?

De vormen van bemiddeling tussen waarde en prijs zijn niet oneindig in aantal, maar ze vormen een reeks algemeen waarneembare stadia, met concurrentie als de regulerende factor. Wel bijna oneindig is het aantal individuele transacties waarop deze gebaseerd zijn. Maar dat is iets anders. Op grond van het grote aantal feitelijke transacties, op alle niveaus van warenkapitaal, geldkapitaal en krediet, die door de burgerlijke statistiek ook nog eens heel ontoereikend worden weergegeven, is de stand van reële waardevorming nooit exact aanwijsbaar. Er bestaat altijd een zekere spanning tussen theorie en empirie. Desondanks kunnen de waarneembare verschijnselen wel middels de theorie met het wezenlijke interne proces van de waardevorming in verband gebracht worden. Want de reeks bemiddelingen tussen waarde en prijs is weliswaar complex, maar de flexibiliteit ervan is zeker niet onbegrensd. De beweging van de concurrentie die via miljarden individuele transacties verloopt, staat in verband met de massa aan werkelijke waarde die er in de maatschappij als geheel voortgebracht wordt, een kwantiteit die niet op een directe manier empirisch kan worden vastgesteld. Deze werkelijke waardemassa is volgens Marx echter gekoppeld aan de substantie van de abstracte arbeid, ofwel aan de hoeveelheid abstracte menselijke energie die er in de sfeer van het kapitaal uitgeoefend of besteed wordt. Aan de andere kant kan het kapitaal niet naar believen zoveel mogelijk arbeidskracht gebruiken als het zou willen, maar slechts de hoeveelheid die overeenstemt met de geldende standaard van productiviteit, die wederom door concurrentie opgelegd wordt. De bemiddelende vormen die waarde en prijs aan elkaar verbinden zijn dus niet flexibel op een arbitraire manier; de flexibiliteit ervan is gebonden aan een werkelijke hoeveelheid van de maatschappelijke substantie waarop ze gebaseerd zijn. In ieder geval wordt het altijd pas achteraf aangetoond of de maatschappelijke verbanden tussen waarde en prijs in balans zijn of dat ze op gebakken lucht berusten. Dat is wel te zien in de huidige crisis. Daar wordt praktisch gedemonstreerd dat het een enorme illusie is om te denken dat prijzen oneindig flexibel zijn in relatie tot de substantie van de waarde.

De lezing die jij maakt van de crisistheorie van Marx is als een ineenstortingstheorie, een theorie gebaseerd op het idee van de onderproductie van kapitaal. Andere marxisten (Grossmann, Mattick) gingen je hierin al voor, al werd zo’n soort kritiek altijd maar door een kleine minderheid aangehangen. Los van hun overige meningsverschillen, hebben de meeste marxisten Marx' werk opgevat als een theorie die draait om de ongelijke verdeling van rijkdom. Ook nu is dat nog het geval: de oorzaak van die ongelijke verdeling wordt gezocht in speculatie, deregulering, de jacht op megawinsten op de financiële markten. De ineenstortingstheorie wordt door Marxisten afgewezen. Zijn deze twee interpretaties van Marx' werk allebei gerechtvaardigd? Heeft Marx twee verschillende gedaantes?

Allereerst is het begrip ‘ineenstorting’ metaforisch en tendentieus. Dat woord werd zonder diepere theoretische reflectie door Eduard Bernstein gebruikt om Marx' crisistheorie in diskrediet te brengen, met verwijzing naar de destijds waarneembare kapitalistische ontwikkeling aan het eind van de 19e eeuw. De term duikt ook op in het zogenaamde ‘fragment over machines’ dat in de Grundrisse staat, een tekst waar noch Bernstein noch zijn tegenstanders bekend mee waren omdat die pas veel later gepubliceerd werd. In het derde deel van Het Kapitaal maakt Marx gewag van een ‘immanente limiet van het kapitaal’ die tenslotte in een absolute limiet zou veranderen. Het eerdere minderheidsstandpunt van de ‘ineenstortingstheorieën’ van Rosa Luxemburg en Henryk Grossmann baseerde zijn argumenten danwel op een ontoereikende ‘realisatie’ van meerwaarde (Luxemburg), of op een ‘overaccumulatie’ van kapitaal (Grossmann) dat niet meer rendabel geïnvesteerd kan worden. Paul Mattick distantieerde zich al vroeg van de theorie van een objectieve immanente limiet van de kapitalistische ontwikkeling; net als de Leninisten stelde hij de feitelijke ‘ineenstorting’ gelijk aan de politieke beweging van het proletariaat. In het werk van Marx zijn twee verschillende niveaus van crisistheorie te vinden, die niet theoretisch verenigd zijn. Het eerste niveau heeft betrekking op de tegenstrijdigheden die ontstaan in de circulatie van kapitaal: op de onbalans tussen vraag en aanbod en de daarmee samenhangende disproporties tussen verschillende productietakken. Het tweede niveau, in de Grundrisse en het derde deel van Het Kapitaal, gaat in fundamentelere zin over de verhouding tussen productiviteit en de voorwaarden voor waardevorming, dat wil zeggen over het gebrek aan voortgebrachte meerwaarde waardoor te veel arbeidskracht overtollig wordt. In de marxistische crisistheorieën spelen alleen de tegenstrijdigheden in de circulatiesfeer een rol; de vraag van het gebrek aan werkelijke arbeidssubstantie werd in het debat überhaupt niet aan de orde gesteld. Maar met het aanbreken van de derde industriële revolutie is precies dat tweede, diepere niveau van de crisistheorie van Marx relevant geworden. De onderliggende ‘desubstantialisering’ van kapitaal is dusdanig vergevorderd, dat er alleen nog maar een substantieloze schijnaccumulatie mogelijk is, via financiële markten en overheidskrediet, die momenteel zijn grenzen tegenkomt. Waar het nu om draait, is dus niet meer de ongelijke verdeling van ‘rijkdom in abstracto’ (Marx), maar om de bevrijding van concrete rijkdom van het fetisjisme van kapitaal en van zijn abstracte vormen. De meeste marxisten van nu zijn daarentegen tot onder het niveau van de eerdere crisistheorieën teruggevallen; ze verkondigen alleen nog maar het klassieke kleinburgerlijke standpunt van de kritiek op het ‘financierskapitaal’. Daarbij verwarren ze oorzaak en gevolg: ze herleiden de crisis niet tot een objectief achterblijven van werkelijke waardeproductie, maar zien de oorzaak in subjectieve motivaties zoals de winstzucht van speculanten. De kapitalistische productiewijze wordt niet meer aan de wortels bekritiseerd; het enige dat verlangd wordt is herstel van de eerdere Fordistische opstelling van de abstracte arbeid. Dit is niet alleen een illusoire mogelijkheid, maar ook reactionair. Het heeft qua structuur een gelijkenis met de economische ideologie van het antisemitisme.

Jijzelf en Moishe Postone — wiens boek Time, Labor and Social Domination recent in Franse vertaling verschenen is — hebben twee types van waardekritiek uitgewerkt, die op een essentieel punt van elkaar afwijken. Volgens jou is het zo dat het kapitaal door herhaaldelijke productiviteitswinst zijn substantie (abstracte arbeid) kwijtraakt, en dat het deze in het verloop van de derde industriële revolutie van de micro-elektronica volledig is kwijtgeraakt. Maar volgens Postone zorgt productiviteitswinst voor een toename van waarde — althans tijdelijk. Nadat de productiviteitswinst veralgemeniseerd is, wordt de waardestijging tenietgedaan, waarbij de basiseenheid van de abstracte arbeid (het arbeidsuur) weer terugvalt tot het aanvangsniveau. Ofwel: volgens jou is waarde bezig te ontbinden, en volgens Postone is die juist onophoudelijk bezig met uitbreiden, om vervolgens weer tot zijn beginpunt terug te keren. Vandaar de vraag: stelt dit de geloofwaardigheid van waardekritiek niet op de proef? Of is dit een tijdelijke impasse?

Wat ik met Postone deel, is de kritiek van het begrip arbeid zoals dat in het traditionele marxisme opgevat werd. Die traditionele opvatting werkt in op het begrip abstracte arbeid, dat bij Marx een zuiver negatieve, kritische en historische betekenis heeft, en geeft er een positivistische definitie aan door het als een eeuwige werkelijkheid van de mensheid op te vatten. Wat er bij Postone daarentegen ontbreekt is de crisistheoretische dimensie in de kritiek van abstracte arbeid; op dit vlak blijft hij dus zelf nog traditioneel. De toename van productiviteit betekent dat een kleinere hoeveelheid menselijke energie een grotere hoeveelheid materiële producten voortbrengt. Productiviteitsstijging zorgt daarom nooit dat de waarde stijgt, maar juist dat die continu afneemt, zoals Marx al in het eerste deel van Het Kapitaal laat zien. Wie toch het tegendeel beweert, verwart het maatschappelijke niveau met het bedrijfseconomische niveau, of met andere woorden, of het totale kapitaal met het individuele kapitaal. Het individuele kapitaal dat eerst in isolatie zijn eigen productiviteit verhoogt, behaalt daarmee een concurrentievoordeel. Het kan zijn individuele producten tegen een lagere prijs verkopen, en slaagt er zo in om meer waren te verkopen en daarmee voor zichzelf een groter deel te realiseren van de bestaande maatschappelijke waardemassa. Wat er vanuit bedrijfseconomisch oogpunt uitziet als groeiende winst en dus als ‘groeiende waardeschepping’ betekent op maatschappelijke schaal juist dat de waardemassa afneemt, wat ten koste gaat van andere individuele kapitalen. Zodra de productiviteitsverbeteringen algemeen worden, verliest het innovatieve individuele kapitaal het voordeel tegenover zijn concurrenten. Dit betekent echter geenszins een terugkeer tot een nulpunt of naar een eerder beginpunt. Eerder is het zo dat de toegenomen productiviteit nu de nieuwe algemene standaard wordt. Een uur werk, de basiseenheid van abstracte arbeid, is altijd hetzelfde en kan als zodanig überhaupt geen verschillende ‘niveau’s’ bevatten. Maar deze nieuwe, hogere productiviteitsstandaard zorgt ervoor dat er minder van deze immer gelijke uren abstracte arbeid nodig zijn voor een groeiende massa producten. Wanneer in de crisis een deel van het kapitaal zijn waarde verliest en vernietigd wordt, blijft het bereikte productiviteitsniveau desondanks in stand, omdat dit in het geheel van de bestaande kennis en know-how vast komt te liggen. Eenvoudig gezegd kan het kapitalisme niet van het niveau van de micro-elektronica teruggaan naar dat van de stoommachine. Een volgende sprong in de toename van waarde wordt daarentegen steeds moeilijker, wanneer die zich moet voltrekken in de context van een steeds hoger productiviteitsniveau en de daarmee samenhangende verminderde substantie van de abstracte arbeid. In het verleden was deze voortdurende vermindering van waarde slechts een relatieve aangelegenheid. Met het stijgen van de productiviteitsmaatstaf mag elk individueel product steeds minder abstracte arbeid vertegenwoordigen, en dus ook steeds minder waarde. Door het goedkoper worden van waren zijn daarentegen veel luxeproducten van vroeger onderdeel van de massaconsumptie geworden, waardoor productie en markten zijn uitgebreid. De relatieve vermindering van de maatschappelijke waardesubstantie per product kon daarom desondanks tot een absolute toename van de totale maatschappelijke waardemassa leiden, omdat de toegenomen productie meer abstracte arbeid mobiliseert dan er bij de productie van elk individueel product overtollig gemaakt wordt. Dit houdt verband met het mechanisme dat door Marx aangeduid werd als de productie van ‘relatieve meerwaarde’. Hetzelfde proces dat onophoudelijk het aandeel van de arbeidskracht — het enige waardeproducerende element — in het totale kapitaal vermindert, verlaagt samen met de waarde van de bestaansmiddelen waarmee arbeidskracht gereproduceerd wordt ook de waarde van arbeidskracht zelf. Het verhoogt daarmee het relatieve aandeel van de meerwaarde in het totale proces van waardeproductie. Dat geldt daarentegen alleen voor de individuele arbeidskracht. Maar voor de maatschappelijke hoeveelheid waarde en meerwaarde is het bepalend wat de verhouding is tussen de toegenomen relatieve meerwaarde per werkend individu en het totale aantal arbeidskrachten dat er bij de geldende productiviteitsmaatstaf inzetbaar is. In het fragment over machines uit de Grundrisse en in het derde deel van Het Kapitaal geeft Marx aan dat de toename van de productiviteit logischerwijs een keer een punt zal bereiken waar er meer abstracte arbeid uit het productieproces verstoten wordt dan er weer aanvullend benut kan worden door de uitbreiding van markten en van de productie. In die situatie helpt ook de toename van de relatieve meerwaarde per individuele arbeidskracht niet meer, omdat het totale aantal inzetbare arbeidskrachten te hard daalt. Het is demonstreerbaar dat dit punt, dat door Marx in abstracto voorzien werd, met de derde industriële revolutie ook concreet historisch bereikt is. Anders had het kapitaal op zijn eigen productieve basis wel voldoende abstracte arbeid kunnen mobiliseren om te zorgen voor een toename van werkelijke waardeproductie, in plaats van die op een ongekende schaal door middel van schuld, financiële bubbels en overheidskrediet te moeten laten subsidiëren. Op alle niveaus van het kapitaal zien we de devaluatieschokken voor onze neus plaatsvinden. Maar het is nu minder waarschijnlijk dan ooit dat we een terugval naar een nulpunt zullen zien, van waaruit het hele theater weer opnieuw kan beginnen. Veeleer blijft de fundamentele oorzaak van de ramp bestaan, namelijk de nieuwe en onomkeerbare productiviteitsstandaard die door de derde industriële revolutie bewerkstelligd is. Dus wat er resteert is het herhaaldelijk scheppen van nieuw niet-substantieel geldkapitaal door zowel staten als banken; kapitaal dat herhaaldelijk binnen steeds kortere intervallen zal instorten.

Waardekritiek krijgt altijd het volgende bezwaar te horen: als er geen revolutionair klassesubject bestaat, een maatschappelijke groep die vanwege zijn aard de drager van bewustzijn is, wat zijn dan de belangen waardoor mensen ertoe gebracht worden om een fundamenteel menselijke en werkelijk historische maatschappij te willen?

Het begrip van het subject is in de kern paradoxaal, een fetisjbegrip. Aan de ene kant wordt het subject opgevat als een instantie van autonoom denken en handelen. Aan de andere kant moet ditzelfde subject precies in zijn hoedanigheid van revolutionair klassesubject puur objectief geconditioneerd zijn. Het moet ‘objectief’ een ’historische missie’ bezitten, ongeacht of zijn empirische dragers daar iets van weten of niet. De vermeende autonomie van denken en handelen wordt al geloochend door zo’n onbewuste voorbeschikking te aanvaarden. Het is dan alsof radicale kritiek geen daad van bewustzijn is, vrij en ongedetermineerd, maar eerder een causaal bepaald mechanisme als de tijd of de spijsvertering. De rol van bewustzijn zou er dan slechts in bestaan dat het zijn eigen causaliteit bewust voltrekt. Dit is echter precies de fetisjistische bepaaldheid van het denken en het handelen zoals die in het domein van het kapitaal bestaat. Emancipatie die als subject weliswaar bewust in actie komt maar zich toch als een soort natuurproces of iets mechanisch gedraagt, is het tegenovergestelde van zichzelf. De blinde mechanismen van het kapitaal zijn objectief bepaald, maar voor de bevrijding van deze valse objectiviteit kan dit niet het geval zijn. Bevrijding is een historisch handelen en kan daarom niet theoretisch ‘afgeleid’ worden zoals bijvoorbeeld de tendentieel dalende winstvoet. Dit befaamde ‘objectieve subject’ dat kenmerkend is voor het traditionele marxisme, is niets meer dan een categorie van het kapitaal zelf, ofwel een gedaante van het ’automatische subject’ (Marx) van de abstracte arbeid en de waarde. Er bestaat in het kapitalisme geen sociale groepering die op een transcendente, ontologische manier voorbestemd is. Alle maatschappelijke groepen worden voorgevormd door de waarde en zijn dus op een kapitalistische manier tot stand gekomen. Als we het over ‘belangen’ hebben moeten we daarbij een belangrijk onderscheid maken. Enerzijds zijn er de inhoudelijke, materiële, sociale en culturele levensbelangen van mensen, die samenvallen met hun historische behoeften. Maar anderzijds is deze inhoud verknoopt met de kapitalistische vorm. De werkelijke inhoud van behoeften wordt dus waargenomen als een secundaire zaak; alleen het kapitalistische maatschappelijke belang, dat onder de vorm van geld (loon en winst) tot stand komt, wordt direct waargenomen. Natuurlijk is het onvermijdelijk dat de werkelijke behoeften of levensbelangen in de eerste plaats in de heersende kapitalistische vorm geldend gemaakt worden. Maar wanneer het verschil tussen de inhoud en de vorm niet langer waargenomen wordt, keert dit belang zich tegen zijn eigen dragers: dit belang wordt dan als een zaak van leven en dood afhankelijk van het functioneren van kapitaalvalorisatie. Mensen reduceren zichzelf op die manier eigenhandig tot een ‘objectief subject’ dat zijn leven opoffert aan de wetten die kapitaal stelt en dat deze onderwerping voor volkomen normaal houdt. In contrast daarmee moeten we de werkelijke inhoud van behoeften absoluut ononderhandelbaar verklaren. Alleen dan bestaat er een mogelijkheid om de spanning tussen de kapitalistische vorm en die inhoud te vergroten zodat we daarmee een kritiek voortbrengen die het kapitaal kan overstijgen. Dit zal dan niet de daad zijn van een ‘objectief subject’, maar een daad van mensen die alleen nog mensen willen zijn en verder niks. Een emancipatoire beweging heeft geen pre-bewuste ontologische basis maar moet zichzelf bewust met haar eigen vermogens in het leven roepen, zonder vangnet of zijwieltjes.

Stel, het personeel van een bedrijf, een ziekenhuis of een school gaat in staking. Er wordt gevochten voor het behoud van banen, tegen verslechtering van werkomstandigheden en tegen loonverlaging... of werkers vechten niet meer om hun banen te behouden maar gebruiken het dreigement ‘de hele boel op te blazen’ om nog tenminste behoorlijke ontslagvergoedingen te krijgen (zoiets is in Frankrijk meerdere malen gebeurd). Hoe zou iemand die sympathiek staat tegenover het perspectief van de waardekritiek daarop reageren? Wat is een zinnige houding tegenover de vakbonden of tegenover de media?

Waardekritiek is geen tegenstander van de sociale strijd die immanent is aan het kapitalisme als zodanig. Die vormt een noodzakelijk beginpunt. Maar het is wel van belang in welke richting zulke gevechten zich ontwikkelen. Daarbij speelt hun legitimatie een belangrijke rol. De vakbonden zijn gewend geraakt hun eisen niet te presenteren als voortkomend uit de behoeften van hun leden, maar als evenzovele bijdragen aan een beter functionerend systeem. Dus zeggen ze dat hogere lonen nodig zijn om de economie te versterken en dat die haalbaar zijn omdat kapitaal grotere winsten maakt. Maar zodra de kapitaalvalorisatie echter duidelijk in het slop zit, leidt deze houding tot vrijwillige ontzegging en het gezamenlijk beheer van de crisis, uit naam van het gedeelde bedrijfseconomische belang, van het ‘grotere geheel’, de wetten van de markt, het nationaal belang, et cetera. Zulk vals bewustzijn speelt niet alleen bij hogergeplaatsten een rol, maar ook aan de zogenaamde basis. Wanneer loonarbeiders zich met hun eigen rol in het kapitalisme identificeren en alleen eisen wat ze uit naam van die rol nodig hebben, veranderen ze zelf in ‘karaktermaskers’ (‘Charaktermasken’ in de woorden van Marx) van een bepaalde component van het kapitaal, namelijk arbeidskracht. Daarmee bevestigen ze dat ze alleen over bestaansrecht beschikken als hun werk meerwaarde oplevert. Dit geeft aanleiding tot verbitterde concurrentie tussen verschillende categorieën loonarbeiders en een sociaal-Darwinistische ideologie van uitsluiting. Dit uit zich met name in de defensieve strijd voor het behoud van banen, als er geen enkel perspectief is dat daarbovenuit stijgt. Vaak concurreren de arbeidskrachten van verschillende bedrijfsonderdelen nog tegen elkaar om te overleven. Om die reden is het in wezen sympathieker en bovendien realistischer van het Franse personeel dat met het opblazen van hun fabriek gedreigd heeft om een fatsoenlijke ontslagvergoeding af te dwingen. Zulke nieuwe vormen om het gevecht te voeren zijn defensief noch positief, maar kunnen aan andere eisen verbonden worden, zoals hogere werkloosheidsuitkeringen. Voor zover er uit dergelijke gevechten een maatschappelijke beweging ontstaat, zal die via haar eigen concrete beperkingen ook geconfronteerd worden met de vraagstukken van een nieuwsoortige ‘categorische kritiek’ van het fetisjistische doel-op-zich dat het kapitaal met zijn bijbehorende maatschappelijke gedaantes is gaan vormen. Het doel van onze theorievorming is om een dergelijk verder reikend perspectief te concretiseren, niet als iets dat in een soort abstracte buitenruimte tot stand komt maar dat zichzelf als een aspect van de maatschappelijke confrontatie opvat.

Anti-industriële stromingen stellen emancipatie van het kapitalisme gelijk aan een terugkeer naar een agrarische maatschappij (Kaczynski, de Encyclopédie des Nuisances, etc.). Voor de ‘de-growth’-stroming gaat het om het verlaten van het kapitalisme — maar doordat ze de verbinding tussen waarde en productie niet zien, loopt hun kritiek in crisistijd uit in een simpele moraal van de ontzegging. Hoe verschilt jouw idee van een post-kapitalistische maatschappij van deze opvattingen?

Marx zei al heel terecht dat abstract anti-industrialisme reactionair is, omdat de oordelen die eraan ten grondslag liggen tot stand komen buiten de mogelijkheden van vermaatschappelijking van de economie. Dat wil zeggen dat ze zich net als de voorstanders van kapitalisme alleen maar een algemene maatschappelijke reproductiecontext met kapitalistische vormen kunnen voorstellen. Het anti-industrialisme concludeert dat menselijke zelfbeschikking alleen mogelijk is door een ‘de-socialisering’, in kleine netwerken op basis van zelfvoorziening (‘small is beautiful’). De veronderstelde terugkeer naar een agrarische vorm van reproductie is alleen maar het materiële aspect van deze ideologie. In plaats van een breed scala van onderling verbonden functies worden we geacht om alles terug te brengen tot directe ‘doe-het-zelf’-activiteiten. Dit is een economische fantasie die een deel uitmaakt van wat Adorno ‘valse onmiddellijkheid’ noemde. Als dat realiteit wordt, betekent het dat een groot deel van de nu bestaande mensheid zal moeten verhongeren. Niet veel beter is de modieus geworden en al even abstracte kritiek van de groei, die pleit voor “eenvoudige warenproductie” zonder dwang tot groei, of voor de vervanging van de bestaande burgerlijke contractverhoudingen door kleinschalige coöperaties. Datgene wat in de Duitstalige wereld een ‘solidaire economie’ genoemd wordt, is niet veel meer dan een mengelmoes van kleinburgerlijke ideeën, die vaak historisch al gefaald hebben en in de nieuwe context van de crisis geen enkel perspectief bieden. Al deze ideeën zijn niet meer dan uitvluchten. Degenen die ze bepleiten willen niet in conflict treden met de manier waarop de crisis bestierd wordt, maar proberen liever om ‘naast’ de werkelijke maatschappelijke synthese die door kapitaal wordt voltrokken, een imaginaire idylle te cultiveren. Praktisch gesproken zijn zulke projecten volkomen irrelevant. Ze belichamen een feelgood-ideologie onder gedesoriënteerde linkse mensen, die graag voorbij het crisiskapitalisme zouden willen glippen en het risico lopen om zelf werktuigen van het crisismanagement te worden. De werkelijke vraag is om de maatschappelijke reproductie vrij te maken van de kapitaalfetisj en zijn basale vormen. De mogelijkheden van de vermaatschappelijking krijgen in het kapitalisme op een zuiver negatieve manier vorm, als de onderschikking van menselijke wezens aan het doel-op-zich van de waardevorming. Ook de materiële kant van de productie gehoorzaamt aan dit imperatief van het ‘automatische subject’ (Marx). Daarom kan de materiële inhoud van de industriële vermaatschappelijking kan niet op een positieve manier opgeheven worden, maar moet die samen met de fetisjistische vormen van kapitaal worden overwonnen. Dit gaat niet alleen om de maatschappelijke productieverhoudingen, maar ook om de relatie met de natuur. Het is dus niet een kwestie van het eenvoudigweg zonder discontinuïteit overnemen van de kapitalistische industrie en het abstracte productivisme dat er inherent aan is. Het even abstracte ‘anti-productivisme’, een terugkeer naar idyllische armoede in een zelfvoorzieningseconomie en naar de maatschappelijke mufheid van overzichtelijke ‘gemeenschappen’, biedt evenmin een alternatief maar is slechts de andere kant van dezelfde medaille. De uitdaging is om de materiële productieomstandigheden zelf op een mondiaal maatschappelijk niveau revolutionair te transformeren en daarbij het bevredigen van behoeften tot doel te maken, en tegelijk te zorgen voor de instandhouding van de grondslag van productie, de basis die deze in de natuur heeft. Dit betekent dat er geen ongecontroleerde ontwikkeling meer mag plaats vinden volgens het algemene en abstracte criterium van de zogenaamde bedrijfseconomische rationaliteit. De verschillende momenten van de maatschappelijke reproductie moeten gewogen worden volgens de logica die bij hun inhoud past. Bijvoorbeeld, de gezondheidszorg en het onderwijs kunnen niet volgens dezelfde logica georganiseerd worden als de productie van ponsmachines of kogellagers. Als gevolg van ‘verwetenschappelijking’ zijn onze maatschappelijke infrastructuren überhaupt de waardevorm al overstegen. Maar zelfs binnen de industrie als zodanig moet deze logica van de waarde ook plaats maken omdat deze productiekrachten in destructiekrachten verandert, en tegelijkertijd essentiële maar ‘onrendabele’ levenssferen van middelen ontdoet. De mobiliteit van personen moet bijvoorbeeld niet tenietgedaan worden of teruggebracht tot het niveau van de ezelwagen, maar integendeel, door opheffing van de bestaande, destructieve vorm van vervoer omgevormd worden tot een kwalitatief nieuw netwerk van openbaar vervoer. De ‘uitwerpselen van de productie’ (Marx) kunnen niet langer in de natuur gedumpt worden, in plaats van ze in het industriële circuit te integreren. De kapitalistische ‘verbrandingscultuur’ is ook niet langer houdbaar; er is een andere omgang met fossiele brandstoffen nodig. En als laatste zal het nodig zijn om de momenten van reproductie die voor waarde en abstracte arbeid ongrijpbaar zijn, die van de officiële maatschappij los leken te staan en historisch aan vrouwen overgelaten werden (huishoudelijk werk, ondersteuning, zorg voor afhankelijken, etc.) bewust maatschappelijk te organiseren en de koppeling ervan aan een bepaald geslacht teniet te doen. Zo'n soort brede diversificatie van zowel industriële productie en diensten, toegepast volgens puur kwalitatieve criteria, is iets anders dan een abstract anti-industrialisme; maar het vraagt wel de afschaffing van de kapitalistische rationaliteit, van de synthese op grond van de waarde en het type bedrijfseconomische berekening dat eruit voortvloeit. Zoiets kan alleen als een maatschappelijk proces tot stand komen, door een sociale tegenbeweging van de maatschappij zelf, in plaats van door het opzetten van pseudo-utopische ‘modellen’ die dan verondersteld worden zich te vermenigvuldigen. Er kan van een postkapitalistische maatschappij überhaupt geen positief, kant-en-klaar, presentabel ‘model’ gemaakt worden. Dat zou geen concretisering zijn maar opnieuw een armzalige abstractie en een anticipatie van valse objectiviteit, kortom precies dat wat er overstegen moet worden. Wat de theorie wél kan uitwerken, door de kritiek op de kapitalistische vorm van economisme, zijn de criteria van een ander soort vermaatschappelijking. Dit omvat bovenal een bewuste maatschappelijke planning van hulpbronnen, in plaats van de blinde ‘dwingende wetten van de concurrentie’ (Marx). Zelfs ter linkerzijde is maatschappelijke planning in diskrediet geraakt, omdat het concept ervan nooit voorbijging aan de manier waarop die in het teloorgegane bureaucratische staatssocialisme opgevat werd. Dat vormde echter geen alternatief voor het kapitalisme, maar was in essentie een ‘modernisering vanuit achterstand’ aan de periferie van de wereldmarkt, met gebruik van staatskapitalistische mechanismen. Het ging niet voorbij aan de logica van de waarde, die werd alleen verstatelijkt. Het kritische bewustzijn had niet genoeg momentum in een wereld die destijds op mondiale schaal door het wereldkapitaal nog grotendeels onontgonnen was. Kortom dit was niet de noodzakelijke uitkomst, maar wel een historisch feit. Daarna ging het er slechts om dat perifere regio's met gelijke rechten deel konden nemen aan de wereldmarkt, waarin ze uiteindelijk niet geslaagd zijn. Daarom bleef deze formatie dus gevangen in de aporie van een ‘planning van de waarde’, terwijl die van nature niet gepland kan worden maar eerder algehele concurrentie veronderstelt, onder het dictaat van abstract productivisme. Als het inmiddels zo is dat de negatieve vermaatschappelijking op basis van waarde wereldwijd haar historische limiet bereikt heeft, is er behoefte aan een nieuw paradigma van maatschappelijke planning los van markt en staat, en los van waarde en geld.

Het kapitalisme werd traditioneel bekritiseerd vanuit het perspectief van de arbeid. Maar volgens jou vormen kapitaal en arbeid geen onderlinge tegenstelling, maar is het kapitalisme de maatschappij van de arbeid. Wat motiveert die afwijzing van arbeid?

Het ondubbelzinnig kritische en negatieve begrip ‘abstracte arbeid’ dat Marx hanteert, kunnen we als een synoniem beschouwen van de moderne categorie ‘arbeid’. In premoderne omstandigheden bestond deze universele abstractie deels niet eens, en deels was die anderszins negatief gedefinieerd, namelijk als de activiteit van afhankelijken, horigen, onderdanen (slaven). ‘Arbeid’ is niet hetzelfde als productie in algemene zin, en ook niet hetzelfde als het ‘proces van stofwisseling met de natuur’ (Marx), hoewel de terminologie die Marx op dit vlak gebruikte wisselend was. Het was het kapitalisme dat voor het eerst het negatieve begrip ‘arbeid’ generaliseerde en het positief ideologisch omvormde, wat een inflatie van het begrip veroorzaakte. De kern van deze generalisatie en valse ontologisering van ‘arbeid’ wordt gevormd door de historisch ongekende reductie van het productieproces tot een besteding van abstracte menselijke energie, of van “zenuwen, spieren en hersenen” (Marx) waarbij de inhoud van deze inspanning volstrekt buiten beschouwing blijft. Op maatschappelijk niveau worden producten niet ‘verkocht’ als nuttige goederen, maar als representanten van verrichte abstracte arbeid. De algemene uitdrukking ervan is geld. In deze zin vormt bij Marx abstracte arbeid, of abstract-menselijke energie, de ‘substantie’ van het kapitaal. Het fetisjistische doel-op-zich van waardevorming, namelijk om één euro in twee euro te veranderen, is gebaseerd op het doel-op-zich van de oneindige groei van de besteding van abstracte arbeid, zonder enige rekening te houden met behoeften. Deze absurde imperatief conflicteert daarentegen met de voortdurende toename van de productiviteit, die door het mechanisme van de concurrentie wordt opgelegd. Een kritiek van het kapitalisme vanuit het standpunt van de arbeid is dus een logische onmogelijkheid, omdat je het kapitalisme niet vanuit het oogpunt van zijn eigen substantie kan bekritiseren. Een kritiek van het kapitalisme moet zich dus tegen deze substantie zelf richten, kortom mensen bevrijden van deze onderschikking aan de dwang tot abstracte arbeid. Alleen op die manier kan deze onverschilligheid ten aanzien van de inhoud van de reproductie overwonnen worden en kan die inhoud zelf serieus worden genomen. Als we kapitaal beperkt opvatten als geldkapitaal en fysiek kapitaal (dat Marx ‘constant kapitaal’ noemt), bestaat er weliswaar een functionele tegenstelling tussen kapitaal en arbeid. Het gaat dan om een tegenstelling tussen verschillende kapitalistische belangen binnen een gemeenschappelijk referentiekader. Maar wanneer kapitaal in ruimere zin opgevat wordt, zoals Marx doet, dan is arbeid slechts het andere bestanddeel ervan. Geldkapitaal en fysiek kapitaal vertegenwoordigen ‘dode arbeid’, terwijl arbeidskracht (‘variabel kapitaal’ bij Marx) ‘levende arbeid’ vertegenwoordigt. Het zijn dus slechts verschillende ‘toestanden’ van abstracte arbeid en daarmee ook van kapitaal. In dit opzicht is de tegenstelling er één die ‘immanent’ aan het mondiale kapitaal of het ‘automatische subject’ is, in plaats van een tegenstelling die voorbij het kapitalisme zou wijzen. Voor zover de oude arbeidersbeweging niet het standpunt innam zichzelf te willen bevrijden van abstracte arbeid, maar enkel het standpunt van de bevrijding van die arbeid zelf, kon ze niet meer zijn dan slechts dit integrale deel van het kapitaal en alleen op die basis een dubieuze ‘erkenning’ verwerven. Dientengevolge werd abstracte arbeid in het socialisme van het Oostblok, ook bekend als staatskapitalisme, evenmin bekritiseerd als opgeheven maar door de bureaucratie juist gebruikt als de belangrijkste categorie in haar (onsuccesvolle) pogingen tot technocratische planning. Vandaag de dag, in de derde industriële revolutie, heeft het kapitalisme zijn eigen substantie van de arbeid verregaand uitgehold. Op de balansen van ondernemingen speelt arbeid als bestanddeel van het kapitaal geen beslissende rol meer. Productie, en niet alleen industriële productie, wordt tegenwoordig sterker bepaald door de toepassing van wetenschap en technologie dan door de directe productieve activiteit van mensen. De blinde dynamiek van het kapitalisme heeft het idee — dat theoretisch altijd al onjuist was — van een socialisme gebaseerd op ‘arbeidstijdboekhouding’ in de praktijk overbodig gemaakt en die tegelijk zelf tot in het absurde doorgevoerd. Wat er in een postkapitalistische maatschappij gepland moet worden is niet de hoeveelheid gespendeerde menselijke fysieke energie, maar een zinnig, gediversifieerd gebruik van de beschikbare natuurlijke, technologische en intellectuele middelen.

Nederlandse vertaling door Thijs Vissia, februari 2019. Vertaald op basis van de Duitse tekst op Exit-online.org, een Engelse vertaling staat hier op libcom.org: Marx's theory, crisis and abolition of capitalism - an interview with Robert Kurz.

Posted By

spacious
May 8 2019 21:37

Share


  • De ‘uitwerpselen van de productie’ (Marx) kunnen niet langer in de natuur gedumpt worden, in plaats van ze in het industriële circuit te integreren. De kapitalistische ‘verbrandingscultuur’ is ook niet langer houdbaar; er is een andere omgang met fossiele brandstoffen nodig.

    Robert Kurz

Attached files