Limieten: Zelf-organisatie in Griekenland - Anna O’Lory/Blaumachen

In Griekenland put een opleving aan zelf-organisatie onder crisisomstandigheden uit een bekend repertoire van bestaande ‘alternatieven’. De welbekende zelfbeheerde ‘Vio.Me’ fabriek, de ‘aardappelbeweging’ van lokale boeren en cooperatieven, etc. Anna O’Lory – lid van de groep en het blad Blaumachen – beschrijft de centrale eigenschappen van deze initiatieven en legt hun inherente beperkingen bloot om meer zicht op de algemene situatie te krijgen.

Submitted by CercleNoir on February 9, 2014

Een recente film van Anja Kirschner en David Panos, Ultimate Substance (beinvloed door het werk van Alfred Sohn-Rethel), verbindt geld als ‘universele gelijkvorm’ [a] met manieren van denken en vormen van sociale organisatie: de kwantificatie van activiteit via een abstracte gelijkvorm correspondeert met abstractie in denken en wetenschappelijke kwantificatie. Voor ons is het belangrijke gevolg hiervan dat niet alleen de uitbuiting, maar ook de oplegging van de boekhouding op het sociale leven zelf gedenaturaliseerd worden.Geld wordt niet bekritiseerd omdat ze niet precies genoeg met ‘waarde’ correspondeerd. Ze wordt bekritiseerd precies voor wat ze is: een universele gelijkvorm die de handel [b] bemiddeld en tegelijkertijd een waarde-vorm is.

Vandaag de dag in Griekenland, terwijl de staat zich terugtrekt uit de reproductie van de arbeidskracht in de vorm van uitkeringen en de ‘verzorgingsstaat’ en dit vervangt met ‘workfare’, dwangarbeid en repressie, terwijl het kapitaal (groot en klein) gedwongen wordt zich terug te trekken uit de investeringen en de productie (daarmee een groot deel van de bevolking uit het arbeidscontract en in de informele/precaire arbeid en werkeloosheid werpende) is er een grote opleving van de zelf-georganiseerde activiteit, evenals een interesse daarin van de kant van de staat. Deze zelf-organiserende activiteit is een direct antwoord op het wegvallen van eerdere bronnen van reproductie (lonen, pensioenen, uitkeringen) en dringt zich op als noodzakelijk. Deze zelf-organisatie is niet alleen symptomatisch van de crisis, maar wordt er door bepaald en gevormd. Het doel hier is om wat bedenkingen over deze activiteiten aan te kaarten, niet vanuit het perspectief of deze activiteiten goed of fout zijn, of dat mensen iets anders zouden moeten doen, maar op basis van met wat voor limieten, beperkingen of tegenstellingen ze geconfronteerd worden. Geld, handel, ‘commodities’ [c], de waarde en abstracte arbeid zullen allemaal van centraal belang zijn in deze discussie.

De ‘warenruil’ [d] is precies datgene waar de alternatieve economische initiatieven (zoals alternatieve valuta of ‘tijdbanken’[e]), die zich rap vermenigvuldigen tijdens de crisis, zich op baseren. Het idee achter deze initiatieven is, aan de ene kant, om economische activiteit te creeeren waar daar weinig van is en, aan de andere kant, om gemeenschappen en solidariteitsrelaties onder lokale bewoners te creeeren. Een gelokaliseerde valuta, of ze nu op tijd gebaseerd is of niet, beperkt opties en beschermt haar leden tegen externe competitie. Men zou het kunnen zien als een vorm van micro-protectionisme. Daar bovenop streeft ze naar het vormen van een gemeenschap onder haar leden. Deze twee aspecten van deze initiatieven zijn nauw met elkaar verwoven en hun tegenstellingen ‘prefigureren’ [f] toekomstige spanningen binnen deze verwovenheid.

Simpele handelsrelaties tussen leden betekent dat we spreken van thuisproductie, afhankelijk van de bredere economie daarbuiten, die doordrongen wordt door de crisis. Aan de andere kant vormt een gemeenschap gebaseerd op simpele handelsrelaties, zowel in vroegere productiewijzen als vandaag de dag, de noodzakelijke afhankelijkheidsbanden rondom lokaal eigendom in plaats van vrijwillige relaties tussen individuen. Het is een open vraagstuk of de recreatie van zulke onderling afhankelijke gemeenschappen vandaag de dag ook zou kunnen leiden tot de creatie van strijdgemeenschappen die niet gebaseerd zijn op de kwesties van lokale identiteit en lokaal eigendom en in conflict treden met degenen daarbuiten.

In deze micro-markten is er al sprake van een algemene gelijkvorm die de ruilwaarde meet, of dat nu in een alternatieve valuta of in tijd is, evenals er sprake is van productie voor de markt, wat betekent dat de koopwaar ‘arbeid’ al ‘gelijkgemaakt’ is door middel van de handel, en daarmee geabstraheerd is van haar concrete, specifieke eigenschappen. Tijdsbanken, gemotiveerd door opvattingen van ‘gelijkwaardigheid’, gebruiken echter concrete arbeidstijd als een maatstaaf van de welvaart, daarmee variaties in de productiviteit, intensiteit en complexiteit van de arbeid negerend. Over het naast elkaar bestaan van deze variaties zal echter onderhandeld moeten worden wil dit gelijkheidsprincipe van enige waarde zijn. De gelijkmaking van verschillende vormen van arbeid in de markt heeft een adequate vorm nodig. Deze onderhandeling kan er ofwel toe leiden dat de tijds-valuta een echte valuta wordt, i.e. niet gekoppeld aan concrete arbeidstijd, ofwel tot de noodzaak tot een stricte en constante controle over de eigenschappen en types van uitgewisselde arbeid die de uitbreiding van de micro-markt in de weg staat. De tijdsbank kan zich niet uitbreiden zonder de geldvorm te introduceren en ze kan het geld niet introduceren zonder te krimpen. Als ze dan uiteindelijk uitbreid zal haar verschil ten opzichte van de mainstream economie verdwijnen.

Het perspectief dat deze alternatieve economieeen als meer ziet dan pogingen om te overleven onder de crisis en dat probeert momenten van verzet te zien in wat ze zijn, en niet in hun eigen overstijging, ziet geld slechts als pure overheersing, of slechts als een symbool, in plaats van datgene wat ze daadwerkelijk is: een abstracte gelijkvorm, een functie, het meest geschikte medium voor de handel. De warenruil heeft het geld nodig, ze wordt hier niet door ‘overheersd’. De handel, abstracte arbeid, de arbeidsdeling, etc. zijn allemaal precondities voor de productie van de waarde, met andere woorden, het kapitalisme. Er is hier geen sprake van ‘oprechte’ sociale relaties die dan overgenomen worden door ‘de kapitalisten´. Kapitalistische sociale relaties zijn niet minder kapitalistisch als men het geld vervangt door iets anders. En de afschaffing van het geld als bemiddelaar van de productierelaties kan niet plaatsvinden zonder de afschaffing van alle bemiddelingen die het geld ondersteunen en er door ondersteund worden; een afschaffing door de gehele maatschappij, en niet slechts lokaal.

Sociale projecten die zich bezig houden met het vrijelijk en gratis uitdelen van middelen lopen ook tegen zulke beperkingen op in hun pogingen om te voorzien in de sociale diensten die de staat opgeheven heeft. Deze projecten zijn zowel een symptoom van, als essentieel voor, overleven tijdens de crisis. Ze varieeeren van gaarkeukens voor de daklozen, kledingruilplaatsen, ‘sociale supermarkten’ (winkels die gedoneerde basisgoederen goedkoop verkopen) tot kinderopvanglocaties en gratis onderwijs voor kinderen, georganiseerd door zowel politieke groepen als meer spontane initiatieven. De gezondheidszorg is een ‘case in point’ aangezien er een paar zelf-georganiseerde medische centra in steden over het gehele land te vinden zijn. Deze centra worden gerund door gezondheidswerkers die hun diensten gratis aanbieden en alle ruimte, apparatuur en medicijnen worden gedoneerd. Ze zijn onderdeel van de strijd van de gezondheidswerkers en de strijd voor universele gratis gezondheidszorg, een poging om haar decommodificatie in de praktijk te brengen. Deze tegenstelling wordt echter het meest duidelijk in de eisen voor de autonomie (met het zelfbeheer[g] als de denkbeeldige horizon) die in deze projecten ontstaan. Solidariteits-gezondheidscentra zijn duur en er komt een tijd waarin de donaties van kameraden niet genoeg zullen zijn. Het probleem van de autonomie is dus duidelijk: ofwel men accepteert financiering door bedrijven, NGOs of de staat, ofwel men kan niet langer voortbestaan. Ondertussen kan de ontmanteling van de publieke gezondheidszorg deze weigering harteloos en koud laten lijken.

Ondanks deze breed erkende problemen is wat deelnemers als hoopvol zien in hun pogingen het opbouwen van een ‘solidaire subjectiviteit’ die ze direct koppelen aan het arbeiderszelfbestuur. De limiet ligt hier echter niet in het subject maar in de mogelijkheid van deze praktijk zelf. De betekenis van hun actie hangt niet af van de handeling zelf, en is geen kwestie van subjectiviteit, maar van de context. Direct, belangeloos, geven, hoe nodig ook, zal nooit in staat zijn om te voorkomen dat gezondheidszorg systematisch bemiddeld wordt door geld. Ondertussen betekend het naast elkaar bestaan van onbetaalde gezondheidswerkers enerzijds en private klinieken en een krimpende publieke gezondheidszorg anderzijds de uitbuiting van deze arbeiders op een breed sociaal niveau. Misschien zouden zulke organisaties, in een andere, bredere situatie van sociale scheuring die de gehele samenleving omvat, in een all-out conflict tegen de kapitalistische klasse en de staat, waar de bemiddelingen van geld en de handel in twijfel getrokken worden, een andere betekenis of dynamiek kunnen krijgen. Maar ook daar zouden nieuwe limieten ontstaan – de vraagstukken van de machtsrelaties tussen dokter en patient en de arbeidsdeling bijvoorbeeld, die beiden kapitalistische sociale relaties veronderstellen.

De generalisering en samenkomst van zulke breuken is echter niet hetzelfde als de verspreiding van autonome ruimtes, of de vermenigvuldiging en vergroting van wat vaak ‘de commons’ genoemd wordt. De reden hiervoor is dat de vorm van autonome organisatie altijd die is van een gemeenschap wiens leden gemeenschappelijke belangen hebben en eigendommen hebben. Eigendom wordt hiermee niet afgeschaft maar overgedragen aan een gemeenschap. Een binnen wordt altijd gedefineerd door haar buiten en haar grenzen. Aan de ene kant wordt een autonome gemeenschap geconfronteerd met alle risico’s van het lokalisme, zelfs nationalisme; aan de andere kant zijn haar grenzen ‘tegen het kapitalisme’ alles behalve zeker. Kapitalisme wordt niet alleen niet actief tegengegaan door doorbroken door gemeenschappen die delen, maar ze is een voorwaarde voor het bestaan van zulke autonome gemeenschappen, die onvermijdelijk afhankelijk zijn van de kapitalistische warenproductie en handel voor hun overleven (behalve als het primitivistische communes zijn). Delen heeft geen intrinsieke betekenis los van datgene wat, en onder welke omstandigheden er, gedeeld wordt. Het kan geld op een individueel niveau ontwijken, maar ze is hier niet intrinsiek tegen – ze kan evengoed het resultaat van vriendschap zijn als een ingredient van de kapitalistische productie.

Deze tegenstellingen van gemeenschap en eigendom komen het meest naar voren in projecten die pogen de publieke ruimte te ‘bevrijden’, vooral in Athene. Als een prachtig verzorgd en aangeplant bezet park (bedoeld als haven voor collectieve, solidaire activiteit in het midden van de stedelijke jungle) even zogoed publieke ruimte is als ieder ander park in de stad, zal ze onvermijdelijk het centrum van dezelfde sociale tegenstellingen worden. Hieruit volgt dat er een paar opties zijn om te behouden wat de organisatoren van zo’n park zien als haar integriteit, los van de ruimte onder politietoezicht of disciplinering te stellen. Sommigen die zulke ruimtes willen verdedigen nemen hier al een politionele rol op zich door de toegang te ontzeggen aan junkies en drugsdealers en straatconfrontaties tussen diegenen die de ruimte verdedigen en diegenen die haar willen ‘misbruiken’ zijn niet ongebruikelijk.

Het discours van de autonomie dat de basis van veel van deze initiatieven vormt ziet het zelfbeheer van de productie als haar ultieme doel. Hoewel huidige pogingen tot zelfbeheer erg schaars zijn, nemen ze, wederom, toe als symptoom van de crisis en pogingen om de werkeloosheid te vermijden. Deze projecten zijn, wederom, meer afhankelijk van de grillen van de markt dan de besluiten van hun leden. Om concurrerend te blijven werken leden vaak ‘vrijwillig’ langer en harder door, onbetaald, zichzelf zowel als arbeider als bedrijfseigenaar ziende, terwijl ze overschotten herinvesteren in nieuwe zelfbeheerde bedrijven. De relatie tussen arbeid en kapitaal is nog steeds aanwezig, alleen niet langer gepersonaliseerd als kapitalist en arbeider, maar nog steeds bestaand binnen dezelfde subjecten. Dus, ondanks het feit dat deze bedrijven niet subjectief gedreven worden door het motief van de accumulatie, functioneren ze nog steeds als kapitalistische bedrijven en worden ze gedwongen te worstelen met de vraag van de zelf-uitbuiting.

Het perspectief van zo’n praktijk, de reden dat haar deelnemers haar zien als politiek project, hoewel ze vaak voorzichtig zijn in het erkennen van haar ‘imperfecties’, is dat ze zich richt op de ideaal van een samenleving van autonome, zelf-beheerde arbeiders-producenten, waar goederen en overschotten gelijkwaardig gedistribueerd worden en collectieve planning de plek inneemt van kapitalistische competitie. Dit perspectief, dat van de autonomie, verondersteelt dat de definitie van de arbeidersklasse niet plaatsvind in relatie tot het kapitaal maar inherent aan zichzelf is, dat er een samenleving van arbeiders kan bestaan die niet de kapitalistische sociale relaties reproduceert, of dat de voortgezette waarde-productie, de voortgezette boekhouderij, de oplegging van een abstracte, kwantificerende gelijkvorm van alle activiteit, niks met kapitalisme te maken hebben. Ze formaliseert essentieel wat we vandaag de dag zijn in de huidige samenleving en ziet dit als basis voor de nieuwe samenleving, die opgebouwd moet worden als de ‘bevrijding’ van wat we zijn – de ‘bevrijding’ van de arbeider als arbeider.

We kunnen het zelf-beheer niet in een historisch vacuum beschouwen. Vandaag de dag is het zelf-beheer geen overwinning maar een laatste toevluchtsoord, gezien als oplossing voor de werkeloosheid. Grassroots organisaties worden vandaag de dag, ongeacht of ze zich organiseren op basis van de arbeidersidentiteit, of die van de democratie en de autonomie, of alledrie, geconfronteerd met de limiet opgelegd door de toestand van de klassenrelatie. Ze kunnen geen onderdeel van een klasseneenheid vormen, vanwege de klassenfragmentatie die steeds erger wordt door de precariteit en werkeloosheid onder de crisis en de economische herstructurering. We zien dat de capaciteit van het proletariaat om in haar relatie ten opzichte van het kapitaal de basis te vinden, om zichzelf als autonome klasse op te werpen of voor een sterke arbeidersbeweging, vandaag de dag verdwenen is. Precies om deze reden is het zelf-beheer vandaag de dag een laatste toevluchtsoort in plaats van een revolutionair project. Autonomie en zelf-organisatie vertegenwoordigden een historisch moment uit de geschiedenis van de klassenstrijd en zijn geen formele vormen van actie. Hun afname is niet het eb van de klassenstrijd, maar het eb van een bepaalde historische fase uit de klassenstrijd. Vandaag de dag wordt de klassenstrijd niet gestreden op basis van de klasseneenheid, maar speelt de klassentegenstellig zich af en ontvouwt ze binnen de sociale conflicten.

De strijd tegen de zelf-organisatie kan alleen ontspringen uit conflicten uit naam van een ‘betere’ zelf-organisatie, en daarin haar beperkingen vinden en in tegenspraak met zichzelf treden. De strijd tegen cooptatie door de staat of het bedrijfsleven, tegen de legalisering, de verdediging door meer strijdbare elementen die probeert te voorkomen dat kraakpanden ‘sociale cooperatieven’ worden, en de rebellie tegen de managementcontrole in co-operatieven, komen allemaal neer op de tegenstelling tussen, aan de ene kant, de subjectiviteit die vooropgesteld wordt als het meest ‘positieve moment’ van de zelf-organisatie, en aan de andere kant, de scheiding van arbeid als aparte activiteit, de productie van de waarde, de scheiding tussen productie en reproductie, en de autonomisering van de productieomstandigheden in de vorm van een economie. In zulke conflicten, mochten die gegeneraliseerd raken, zou het perspectief van de revolutie zich af kunnen keren van de zelf-bevestiging van de klasse en zich kunnen richten op de zelfherkenning van klasse als een categorie van de kapitalistische productiewijze. En dit is een dynamiek van breuken en scheuren, en niet van de continuiteit en groei van de zelf-organisatie. Ze prefigureert de zelf-overstijging van het subject dat eerder de capaciteit tot zelf-organisatie vond.

Deze breuk en haar generalisering zullen echter niet plaatsvinden zonder enige organisatie, zonder een frontale botsing met de kapitalistische klasse en de staat op een grotere schaal. Het vereist organiserend vermogen wanneer proletariers verschillende taken op zich nemen voor de ontwikkeling van hun strijd: het blokkeren van de wegen, de aanval op politiebureau’s, het blokkeren van de logistiek van de ordetroepen, het onteigenen van essentiele goederen… etc.,etc. Het vraagstuk is er hier niet een van spontaniteit versus organisatie, maar van onteigening versus de toeeigening en het management van de bestaande wereld als basis van een ‘nieuwe economie’. Organisatie kan iets anders zijn dan de formalisering van een bepaald subject, van wat proletariers zijn in de huidige maatschappij, als basis voor de nieuwe. En zulke organisatie zal niet ontspringen als vrijwillig besluit maar vanuit de noodzaak van de strijd tegen de vijandige klasse, waardoor de situatie van het proletariaat niet iets kan worden om te organiseren, verdedigen en ‘bevrijden’, maar iets om af te schaffen.

Noten van de vertaler:

(a) Universele gelijkvorm is mijn gekozen vertaling voor wat in het engels universal equivalent is. Dit om de functie van geld aan te geven als universeel bemiddelings-middel, als ‘stand-in’, als gelijkvorm.

(b) Op verschillende plekken in de tekst heb ik de (marxistische) term exchange ofwel vertaald als ruil, ofwel als handel. Hoewel het eerste de voorkeur zou hebben als je kijkt naar de Nederlandse vertalingen van Marx’ werk komt het vaak zodanig krom over dat ik wat afwissel.

(c) ‘Commodity’ heb ik onvertaald gelaten omdat de gangbare vertaling, koopwaar, naar mijn mening niet dekkend genoeg is. Koopwaar roept namelijk vooral beelden op van daadwerkelijke fysieke goederen en niet van het abstracte concept commodity, wat alles van arbeidskracht tot aardbeien kan omvatten.

(d) Warenruil is hier een vertaling van de term commodity exchange.

(e) Tijdbanken zijn diensten waar tijd (in pure arbeidsuren) in plaats van geld als valuta wordt gebruikt, meestal als aanvullend monetair systeem. Soms staan tijdbanken ook wel bekend als service exchanges.

(f) Prefigureren is een term die duid op praktijken of denkwijzen die een nog-te-komen toekomstige situatie alvast afspiegelen, ofwel door een ‘voorproefje’ van de toekomst te geven ofwel als symptoom van wat komen gaat, een soort echo uit de toekomst.

(g) Voor een uitgebreide kritiek op het zelfbeheer, zie de tekst ‘Lip and the self-managed counter-revolution’ van de Franse groep Negation over de zelfbeheerde Lip-fabriek in de jaren ’70: http://libcom.org/library/lip-and-the-self-managed-counter-revolution-negation

Comments