Staat: een inleiding

Politiemacht

Een korte inleiding over wat we bij libcom.org bedoelen als we het over de staat hebben, en hoe we denken dat we er ons, als arbeiders, toe zouden moeten verhouden.

Er bestaan staten in veel vormen en maten. Democratieën en dictaturen, exemplaren met veel sociale zekerheid of helemaal niets, staten die veel individuele vrijheid toestaan en andere die dat niet doen.

Deze varianten zijn niet in steen gehouwen: democratieën en dictaturen komen op en gaan ten onder, sociale zekerheidsstelsels worden opgezet en ontmanteld terwijl burgerlijke vrijheden uitgebreid of juist uitgehold worden.

Ondanks zulke variaties delen alle staten bepaalde kerneigenschappen, die er de definitie van vormen.

Wat is de staat?

Alle staten hebben dezelfde basisfunctie, in de zin dat ze de organisatie zijn van alle wetgevende en wetshandhavende instellingen binnen een afgebakend grondgebied. En het belangrijkst is dat het een organisatie is in handen van, en bestuurd door, een kleine minderheid van de mensen.

Soms bestaat een staat uit een parlement met gekozen politici, een apart systeem van rechtspraak en een politiemacht en een leger die de genomen besluiten kan opleggen. In andere gevallen zijn al deze functies vermengd, zoals bijvoorbeeld in een militaire dictatuur.

Maar het vermogen om binnen een bepaald gebied politieke en wettelijke besluiten te nemen - en deze, zo nodig met geweld, te handhaven - is het basiskenmerk van alle staten. Cruciaal is dat de staat een monopolie claimt op het legitieme gebruik van geweld, binnen zijn grondgebied en erbuiten. Als zodanig staat de staat boven de mensen die erdoor geregeerd worden, en boven allen binnen zijn grondgebied die eraan ondergeschikt zijn.

De staat en kapitalisme

Weinig verrassend is dat in een kapitalistische maatschappij, het succes of falen van een staat afhankelijk is van het succes of het falen van het kapitalisme erbinnen.

In essentie betekent dit dat er binnen haar grondgebied winsten gemaakt worden zodat de economie kan groeien. De overheid kan door belasting te heffen haar deel daarvan toe-eigenen om haar activiteiten te bekostigen.

Als ondernemingen in een land gezonde winsten maken, zullen investeringen toestromen naar de winstgevende bedrijven, die meer arbeiders in dienst zullen nemen om hun investeringen om te zetten in meer geld. Zij en hun werknemers betalen vervolgens belastingen over hun inkomens, waardoor ze de staat in stand houden.

Maar als winsten kelderen, zullen de investeringen naar elders vloeien, waar de winsten hoger zijn. Ondernemingen moeten de deuren sluiten, arbeiders worden ontslagen, belastinginkomsten dalen en lokale economieën raken in het slop.

Dus het bevorderen van de winstgevendheid en de groei van de economie is in een kapitalistische maatschappij een kerntaak van elke staat - ook in de zich "socialistisch" noemende staatskapitalistische economieën, zoals China of Cuba. Lees hier onze inleiding over kapitalisme.

De economie

Laten we, aangezien het bevorderen van de economie een kerntaak van de staat is, kort kijken naar de fundamentele elementen van een gezonde kapitalistische economie.

Arbeiders

De eerste behoefte van een gezonde kapitalistische economie is het bestaan van een groep mensen die in staat zijn te werken, om het geld van kapitalisten om te zetten in meer geld: een werkende klasse. Dit betekent dat de meerderheid van de bevolking ontdaan moet zijn van grond en bestaansmiddelen, zodat ze uitsluitend kunnen overleven door hun arbeidsvermogen te verkopen aan degenen die het kunnen kopen.

Dit proces van onteigening (van grond, bestaans- en productiemiddelen) heeft de afgelopen paar honderd jaar wereldwijd plaatsgevonden. In de vroege beginjaren van het kapitalisme, hadden fabriekseigenaren grote moeite om boeren, die nog in staat waren om van het land te leven, zo ver te krijgen dat ze in de fabrieken gingen werken. Om dit probleem op te lossen, werden boeren met geweld van gemeenschappelijke grond verdreven, en werden er wetten tegen landloperij ingevoerd, zodat mensen gedwongen waren om werk in fabrieken te accepteren.

Vandaag de dag is dit proces wereldwijd grotendeels een voldongen feit. Er bestaan echter nog wel plekken in de zogenaamde "ontwikkelingslanden", waar de staat nog steeds deze rol speelt van het verdrijven van mensen, zodat er nieuwe markten voor investeerders in het leven geroepen kunnen worden. Lees hier onze inleiding over klasse.

Eigendom

Een tweede fundamentele vereiste is het begrip privé-eigendom. Terwijl velen van elke vorm van bezit ontdaan moesten worden om een werkende klasse in het leven te roepen, kon het bezit van land, gebouwen en fabrieken door een kleine minderheid van de bevolking alleen in stand gehouden worden door een georganiseerd geweldsapparaat - een staat. Dit wordt door de pleitbezorgers van kapitalisme anno nu zelden vermeld, maar in de begindagen ervan werd dit wel openlijk erkend. Zoals de liberale politiek econoom Adam Smith schreef:

Wetten en bestuurlijke macht kunnen in dit en ieder ander geval beschouwd worden als de samenwerking van de rijken om de armen te onderdrukken, om voor zichzelf de ongelijkheid van goederen in stand te houden die anders gauw tenietgedaan zou worden door de aanvallen der armen, die, wanneer zij niet door de regering gehinderd zouden worden, spoedig de anderen door openlijk geweld zouden terugbrengen tot een gelijke staat als die waarin zijzelf verkeren.

Dit gaat vandaag de dag natuurlijk nog door, met wetten die vooral dienen om eigendom te beschermen in plaats van mensen. Het is bijvoorbeeld niet illegaal voor speculanten om voedselvoorraden van de markt weg te houden, schaarste te creëeren en prijzen op te drijven terwijl mensen verhongeren, maar het is voor mensen die honger lijden wel verboden om eten te stelen.

Wat doet de staat?

Verschillende staten vervullen veel verschillende taken, van het leveren van gratis schoolmaaltijden tot het handhaven van een geldende religieuze orthodoxie. Maar zoals we hierboven al stelden, is de eerste functie van alle staten in een kapitalistische maatschappij het beschermen en bevorderen van de economie en van het maken van winst.

Omdat ondernemingen echter in constante concurrentie met elkaar verkeren, kunnen ze alleen hun eigen onmiddellijke financiële belang in het oog houden - soms met schade aan de economie in bredere zin. Om die reden moet de staat soms optreden om de lange-termijnbelangen van de economie als geheel te beschermen.

Dus staten leiden een toekomstige werkende bevolking van hun land op en bouwen infrastructuur (spoorwegen, openbaar vervoer, etc.) om ons van en naar werk te kunnen laten reizen en soepel transport van goederen mogelijk te maken. Staten beschermen soms binnenlandse ondernemingen tegen internationale concurrentie door goederen van buiten te belasten, of door hun afzetmarkten te vergroten middels oorlogen en diplomatie met andere staten. In andere gevallen geven ze belastingvoordelen en subsidies aan bedrijfstakken, of redden ze die van de ondergang in gevallen waar ze als 'te belangrijk' worden beschouwd.

Deze maatregelen gaan soms in tegen de belangen van individuele ondernemingen of bedrijfstakken. Dit verandert echter niets aan het feit dat de staat handelt in het belang van de economie als geheel. Daarom kan de staat gezien worden als een manier om conflicten op te lossen tussen verschillende kapitalisten over de manier waarop dat gebeurt.

Verzorgingsstaat

Sommige staten leveren een reeks diensten die mensen beschermen tegen de ergste effecten van de economie. Daarentegen is dit zelden of nooit het resultaat geweest van de gulheid van politici, maar altijd van druk van onderaf.

Bijvoorbeeld: na de Tweede Wereldoorlog werd in Groot-Brittanië de verzorgingsstaat opgebouwd, met gezondheidszorg, huisvesting etc. voor hen die daaraan behoefte hadden. Deze opbouw hield verband met de angst dat er op de Tweede Wereldoorlog een soortgelijke revolutionaire golf zou volgen als op de Eerste Wereldoorlog, met gebeurtenissen als de Russische en Duitse revoluties, de 'twee rode jaren' in Italië, het muiten van het Britse leger, enzovoorts.

Deze angst was gerechtvaardigd. Naarmate het einde van de oorlog naderde, groeide de onrust te midden van de werkende klasses van de oorlogvoerende landen. Dakloze teruggekeerde soldaten bezetten op eigen houtje lege huizen, terwijl het aantal stakingen en rellen zich vermenigvuldigde. Het conservatieve parlementslid Quintin Hogg vatte de stemming onder politici in 1943 als volgt samen: "...als we ze geen hervormingen geven, geven zij ons een revolutie."

Dit betekent niet dat hervormingen 'contra-revolutionair' zijn. Het betekent slechts dat de staat niet de motor voor hervormingen is, maar dat wijzelf, de werkende klasse - en meer in het bijzonder: onze strijd - er de drijvende kracht van is.

Als we als klasse georganiseerd en strijdbaar zijn, worden er sociale hervormingen doorgevoerd. Maar naarmate strijdbaarheid onderdrukt wordt of wegkwijnt en vervaagt, worden de resultaten van eerdere strijdperiodes langzaam afgebroken. Publieke diensten worden gesloopt en verkocht, werkloosheidsuitkeringen worden verlaagd, publieke diensten worden betaalde diensten en lonen in die instellingen worden verlaagd.

Als zodanig is de hoeveelheid bescherming en het niveau van de publieke diensten waarvan arbeiders gebruik maken slechts een peilstok voor de machtsbalans tussen bazen en arbeiders. Bijvoorbeeld, de Franse werkende klasse heeft een hoger niveau van organisatie en strijdlust dan de Amerikaanse werkende klasse. Als resultaat hebben Franse arbeiders in het algemeen betere omstandigheden op het werk, een kortere werkweek, een vroeger pensioen en betere sociale dienstverlening (gezondheidszorg, onderwijs etc.) - ongeacht of er een rechtse of linkse regering aan de macht is.

Een arbeidersstaat?

Decennialang hebben arbeiders, naast strijd op hun werkplekken en op straat, geprobeerd om hun levensomstandigheden te verbeteren door middel van de staat.

De exacte methoden verschilden, afhankelijk van de locatie en de historische context, maar hebben voornamelijk twee vormen aangenomen: het opzetten of steunen van politieke partijen die meedoen aan verkiezingen en geacht worden arbeidersbelangen te bevorderen, of radicaler, doordat de partij de politieke macht zou grijpen en in een revolutie een arbeidersregering in het leven zou roepen. We gaan kort in op twee belangrijke voorbeelden, die volgens ons de futiliteit van deze tactieken laten zien.

De Labourpartij

De Britse Labourpartij werd in 1906 door de vakbonden opgezet. Al snel nam de partij het in het leven roepen van een socialistische maatschappij tot haar officiële uitgangspunt.

Echter, in de realiteit van het parlementaire werk en de daarmee gepaard gaande afhankelijkheid van een gezonde kapitalistische economie, werd dit principe in de praktijk vlug losgelaten en steunde de partij telkens beleid dat anti-werkende-klasse van aard was, zowel wanneer de partij regeerde als wanneer ze in de oppositie zat.

Van het steunen van de imperialistische slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog, tot het vermoorden van overzeese arbeiders om het Britse rijk in stand te houden, tot het verlagen van lonen en het inzetten van het leger tegen stakende havenwerkers.

Wanneer de werkende klasse in aanvalsmodus was, voerde de Labourpartij enkele hervormingen door, net als de andere partijen. Maar net als andere partijen droeg ze zorg voor het wegslijten van eerdere hervormingen wanneer de werkende klasse in haar strijdvaardigheid een stap terug deed, en dan kwam haar levensstandaard direct weer onder vuur te liggen. Bijvoorbeeld, een paar jaar nadat de gratis National Health Service ingevoerd was, werd door Labour een systeem van toeslagen voor uitgeschreven doktersrecepten ingesteld, en vervolgens toeslagen voor brillen en kunstgebitten.

Zoals al uiteengezet, was dit niet omdat de leden van de Labourpartij of haar vertegenwoordigers slechte mensen waren, maar omdat ze ten slotte slechts politici waren, wiens eerste taak was om Groot-Brittanië als economie in de wereldmarkt concurrerend te houden.

De Bolsjewieken

In Rusland in 1917, toen arbeiders en boeren in opstand kwamen en fabrieken en de grond zelf in handen namen, werd door de Bolsjewieken een "revolutionaire" arbeidersstaat bepleit. Echter kon deze staat niet haar voornaamste functies afschudden: als de gewelddadige beschermer van een elite, gericht op het ontwikkelen en doen expanderen van de economie om zodoende zichzelf in stand te houden.

De zogenaamde "arbeidersstaat" keerde zich tegen de arbeidersklasse: het eenmansleiderschap van fabrieken werd hersteld, stakingen werden verboden en werk werd afgedwongen onder dreiging met vuurwapens. De staat bracht zelfs degenen in haar eigen gelederen ter dood die het oneens waren met deze nieuwe wending. Niet lang na de revolutie, werden veel van de oorspronkelijke Bolsjewieken geëxecuteerd in opdracht van de regeringsagentschappen die ze zelf hadden helpen opzetten.

Tegen de staat

Dit wil niet zeggen dat onze problemen opgelost zouden zijn als de staat morgen zou verdwijnen. Het betekent echter wel dat de staat niet losstaat van het basale conflict waar de kapitalistische maatschappij door gekentekend wordt: dat tussen werkgevers en werknemers. De staat is daar fundamenteel deel van en staat stevig aan de kant van de werkgevers.

Waar dan ook waar arbeiders gevochten hebben voor verbeteringen in hun omstandigheden, zijn ze in conflict gekomen met niet alleen hun bazen maar ook met de staat, die de politie, de rechtelijke macht, gevangenissen en soms zelfs het leger gebruikt heeft om dingen te houden zoals ze waren.

Waar arbeiders geprobeerd hebben de staat te gebruiken, de controle ervan over te nemen om hun eigen belangen te bevorderen, is dit op mislukkingen uitgelopen - omdat de werkelijke aard van de staat inherent in strijd is met de belangen van de werkende klasse. Ze slaagden er vooral in de staat te legitimeren en versterken, totdat deze zich tenslotte tegen hen keerde.

Het is onze collectieve macht en bereidheid om de economie te verstoren die ons de mogelijkheid geeft om de maatschappij te veranderen. Als we de staat dwingen om hervormingen in te voeren, winnen we niet slechts betere omstandigheden. Onze acties wijzen naar een andere maatschappijvorm, gebaseerd op een ander stel principes. Een maatschappij waar onze levens belangrijker zijn dan hun 'economische groei'. Een nieuw type maatschappij waar er geen minderheid met rijkdom is die beschermd moet worden van hen die daarbuiten vallen; dat wil zeggen, een maatschappij waar de staat niet meer nodig is.

De staat heeft de economie nodig voor zijn zelfbehoud, en steunt daarom altijd degenen die daarin de dienst uitmaken. Maar zowel de economie als de staat steunen op het alledaagse werk dat wij doen, en dat geeft ons de macht om allebei te verstoren en ze uiteindelijk allebei op te heffen.

Meer informatie (in het Engels)